Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 11 november 2005
Gezag van gewijsde tegen vof jegens vennoten bij ontruiming bedrijfsruimte
- Personenvennootschappen
- Boek 2 BW
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een verhuurder liet een bedrijfspand ontruimen op basis van een onherroepelijke ontbinding van de huurovereenkomst met een vennootschap onder firma. De vennoten voerden aan dat het vonnis niet tegen hen persoonlijk was gewezen en dat zij daaraan niet gebonden waren. De A-G concludeert tot verwerping: het gezag van gewijsde staat aan aantasting van het eerdere vonnis in de weg, en de vennoten missen belang omdat de huurovereenkomst niet met hen in privé is gesloten en er geen vordering op hun privévermogen wordt verhaald.
Kernoverwegingen
“Gezag van gewijsde van een in kracht van gewijsde gegane uitspraak bestaat slechts tussen partijen bij het geschil. Met betrekking tot het gezag van gewijsde van een tegen een vennootschap onder firma verkregen uitspraak ten opzichte van de vennoten heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 13 december 2002, NJ 2004, 212 m.nt. HJS(23) als volgt geoordeeld (rov. 3.3.1 en 3.3.2): "Een schuldeiser die zijn rechten doet gelden tegen zowel de v.o.f. als de vennoot persoonlijk, stelt in materiële zin twee vorderingen in, waarvan de toewijsbaarheid mede afhangt van de verweren welke door de v.o.f. onderscheidenlijk de vennoot persoonlijk worden gevoerd, zodat reeds op deze grond een tegen de v.o.f. gewezen vonnis waarbij een vordering tegen de v.o.f. is toegewezen geen gezag van gewijsde kan krijgen jegens de vennoot persoonlijk. Indien de schuldeiser een vordering instelt tegen een vennoot persoonlijk mag deze zowel verweren voeren die zijn ontleend aan verweren die de v.o.f. zou (kunnen) voeren, als verweren die hem persoonlijk betreffen. Ook uit de omstandigheid dat de vennoot hoofdelijk verbonden is voor de schulden van de v.o.f. vloeit niet voort dat de vennoot die in persoon wordt aangesproken voor een schuld van de v.o.f., geen ander verweer dan een aan zijn persoonlijke omstandigheden ontleend verweer zou mogen voeren tegen de vordering." 2.16 De rechtbank heeft, blijkens de eerste volzin van rechtsoverweging 4.7 niet miskend dat de vonnissen van 24 juli 1997 en 18 december […]”
r.o. 2.15
“De rechtbank heeft, blijkens de eerste volzin van rechtsoverweging 4.7 niet miskend dat de vonnissen van 24 juli 1997 en 18 december 1997 tegen alleen de vennootschap Top Kapi zijn gewezen en niet (tevens) tegen de vennoten persoonlijk, doch heeft geoordeeld dat in de huurovereenkomst uitdrukkelijk staat vermeld dat de ondertekenaars van de huurovereenkomst slechts handelden in hun hoedanigheid van vennoot en dat van enige persoonlijke betrokkenheid van de vennoten bij de huurovereenkomst niet is gebleken, zodat de vaststelling dat genoemde vonnissen tegen alleen de vennootschap zijn gewezen, op zichzelf juist is, maar van geen belang is voor de onderhavige zaak. 2.17 In dit oordeel van de rechtbank ligt het kennelijke oordeel besloten dat, gelet op het feit dat de huurovereenkomst niet tevens is aangegaan met de vennoten in privé, de vennoten geen verweren kunnen aanvoeren die niet tevens de verweren van de vennootschap onder firma zijn, zodat zij belang missen. Een zodanig oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu het hier uitsluitend het gezag van gewijsde van de verklaring voor recht dat de huurovereenkomst is ontbonden betreft en niet sprake is van enige vordering die verhaalbaar is op het vermogen van de vennoten. Het oordeel van de rechtbank dat de huurovereenkomst niet tevens is aangegaan met de vennoten in privé is daarnaast niet onbegrijpelijk, gelet op de tekst van de huurovereenkomst en op het feit dat voor de stelling dat dit wel het geval is […]”
r.o. 2.16