Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 15 december 2006
Vof of arbeidsovereenkomst: affectio societatis en gepasseerd bewijsaanbod
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een chauffeur tekende een akte van een vennootschap onder firma (vof), maar stelt dat feitelijk een arbeidsovereenkomst bestond. De opdrachtgever wil hem als vennoot hoofdelijk aansprakelijk houden. Volgens de A-G moet bij de kwalificatie van de overeenkomst als vof, mede gelet op affectio societatis en gelijkwaardigheid, ook de feitelijke uitvoering worden betrokken. Het hof heeft het bewijsaanbod daarover ten onrechte gepasseerd, zodat de A-G concludeert tot vernietiging en verwijzing.
Kernoverwegingen
“Ter inleiding op de behandeling van deze klacht merk ik het volgende op. De kwestie waarover het hof moest oordelen, betrof de vraag of de rechtbank de reconventionele vordering van BBO al dan niet terecht heeft toegewezen. Dit betekent dat het hof 'slechts' diende na te gaan of de overeenkomst van 24 juli 1995 aangemerkt moet worden als een v.o.f. en, indien dit het geval zou zijn, of [eiser] als vennoot hoofdelijk aansprakelijk was voor de schuld die de v.o.f zou hebben aan BBO. De vraag in hoeverre de bedoelde overeenkomst een arbeidsovereenkomst behelst, was onttrokken aan het oordeel van het hof; hierover dient de kantonrechter in de (aangehouden) zaak in conventie (nog) een oordeel te vellen. 's Hofs overweging aan het slot van r.o. 4.3, inhoudende dat in ieder geval geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, lijkt mij in zoverre dan ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd te vallen. Nu het middel een klacht van deze strekking niet omvat, constateer ik dit laatste slechts ten overvloede. Wat daarvan ook zij, wel dient m.i. voor ogen gehouden te worden dat in de procedure voor het hof louter de vraag aan de orde was of de tussen partijen gesloten overeenkomst als een v.o.f. moet worden aangemerkt. 3.4 Welnu, van een v.o.f. is sprake als de overeenkomst ziet op samenwerking van twee of meer personen gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten, zulks door middel van inbreng van ieder van de vennoten. Zie in plaats van velen: […]”
r.o. 3.3
“Welnu, van een v.o.f. is sprake als de overeenkomst ziet op samenwerking van twee of meer personen gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten, zulks door middel van inbreng van ieder van de vennoten. Zie in plaats van velen: Asser-Maeijer 5-V, nr. 28 en vgl. voor de huidige (bondige) wettelijke definitie art. 7A:1655 BW en vgl. verder art. 7:800 lid 1 BW van het wetsvoorstel 28 746 tot vaststelling van Titel 13 (vennootschap) van boek 7 BW dat thans in de Eerste Kamer wordt behandeld: Nader VV, Kamerstukken I 2005-2006, 28 746, nr. D. Kort en goed is een v.o.f. dus een samenwerkingsovereenkomst. Het element samenwerking brengt mee dat voldaan moet zijn aan de klassieke eis van affectio societatis: uit de inhoud van de overeenkomst dient duidelijk te worden dat de deelnemers de wil hebben op basis van gelijkwaardigheid met elkaar samen te werken teneinde een bepaald doel te bereiken. Dit betekent dus dat tussen de vennoten géén verhouding van ondergeschiktheid mag bestaan. Hierdoor onderscheidt de v.o.f. zich dan ook van een arbeidsovereenkomst. Anderzijds is voor het aannemen van een v.o.f. niet vereist dat er volstrekte gelijkwaardigheid tussen de vennoten bestaat; voldoende is dat de vennoten vanuit een min of meer gelijkwaardige positie beogen samen te werken: aldus Asser-Maeijer 5-V, nr. 29. 3.5 Het middel veronderstelt dat bij beoordeling van de vraag of de overeenkomst van 24 juli 1995 al dan niet moet worden aangemerkt als […]”
r.o. 3.4
“Het middel veronderstelt dat bij beoordeling van de vraag of de overeenkomst van 24 juli 1995 al dan niet moet worden aangemerkt als een v.o.f., de maatstaf moet worden gehanteerd uit HR 14 november 1997, NJ 1998, 149 (Groen/Schoevers) en HR 10 december 2004, NJ 2005, 239 (Diosynth/[...]). In deze arresten heeft de Hoge Raad een maatstaf geformuleerd aan de hand waarvan moet worden beoordeeld hoe een overeenkomst die strekt tot het verrichten van werk tegen betaling moet worden gekwalificeerd. Zo heeft de Hoge Raad overwogen dat partijen die een overeenkomst sluiten die strekt tot het verrichten van werk tegen betaling deze overeenkomst op verschillende wijzen kunnen inrichten. Wat tussen hen heeft te gelden wordt volgens de Hoge Raad bepaald door hetgeen hun bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Aan de hand van de op deze wijze vastgestelde inhoud van de overeenkomst kan de rechter vervolgens bepalen of de overeenkomst behoort tot een van de in de wet geregelde bijzondere overeenkomsten. Daarbij is niet één enkel kenmerk beslissend, zo besluit de Hoge Raad, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. 3.6 Ook in de overeenkomst van 24 juli 1995 ging het om het verrichten van werk (chauffeurswerkzaamheden) tegen betaling (te weten […]”
r.o. 3.5