← Week 50

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 15 december 2006

Enquêteverzoek afgewezen ondanks jarenlang mondeling oproepen voor aandeelhoudersvergadering in familiebedrijf

  • Enquêterecht
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een aandeelhoudster in een familiebedrijf verzocht om een enquête omdat zij jarenlang alleen mondeling was opgeroepen voor de aandeelhoudersvergadering, in strijd met wet en statuten. De A-G concludeert dat de afwijzing door de OK standhoudt: schending van een oproepingsnorm noopt niet tot een enquête, omdat de OK een discretionaire bevoegdheid heeft en alle omstandigheden mag afwegen.

Kernoverwegingen

“Bij de beoordeling van dit cassatieverzoek dient het volgende voorop te worden gesteld. Bij beantwoording van de vraag of er aanleiding bestaat om een enquête te bevelen op grond van art. 2:350 lid 1 BW is het aan de ondernemingskamer in het concrete geval alle betrokken belangen af te wegen. Het discretionaire karakter van deze bevoegdheid is recentelijk benadrukt in de Unilever-beschikking:(3) "4.4.2 De aan de ondernemingskamer gegeven bevoegdheid een enquête te bevelen is een discretionaire, dat wil zeggen dat bij de uitoefening van die bevoegdheid een afweging van de betrokken belangen dient plaats te vinden, met dien verstande dat voor toewijzing van een verzoek ingevolge art. 2:350 lid 1 BW slechts plaats is, wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. De ondernemingskamer kan de bevoegdheid om een enquête te bevelen uiteraard slechts uitoefenen ten aanzien van het concrete aan haar voorgelegde verzoek. Dit brengt mee dat een door haar gemaakte belangen-afweging moet steunen op feiten en omstandigheden zoals die zich voordoen in het haar voorgelegde geval (zie HR 20 november 1996, nr. 55, NJ 1997, 188)." (4) 3.2 De discretionaire bevoegdheid van de ondernemingskamer tot het gelasten van een enquêteonderzoek brengt met zich dat het aan de ondernemingskamer is alle belangen van het geval af te wegen.(5) Van de ondernemingskamer kan daarbij niet worden gevergd dat zij precies aangeeft op welke wijze zij alle (algemene en concrete) belangen in […]”

r.o. 3.1

“De schending van statutaire bepalingen of zorgvuldigheidsnormen door de vennootschap kan de toewijzing van een enquêteverzoek - in het licht van de omstandigheden van het geval - rechtvaardigen. De ondernemingskamer is daartoe echter geenszins gehouden. Ter illustratie verwijs ik naar twee recent door Uw Raad gewezen arresten: (i) HR 1 september 2006, R05/081HR (EMBA) (art. 81 RO), waarin sprake was van de schending van een zorgvuldigheidsnorm door de vennootschap, en (ii) HR 23 juni 2006, R05/092HR (OK 120) (Call Active) (art. 81 RO) waarin sprake was van schending van wettelijke en statutaire voorschriften door de vennootschap. 3.4 Tegen deze achtergrond kom ik tot de bespreking van het cassatiemiddel. 4. Bespreking van het cassatiemiddel 4.1 Het cassatiemiddel valt uiteen in 3 onderdelen. 4.2 Onderdeel 1.1 keert zich met een rechtsklacht tegen rechtsoverweging 3.3: "3.3 Het bedrijf van de vennootschap waarin thans naast [betrokkene 2 en 3] slechts twee personen in deeltijd werkzaam zijn, heeft, naar voldoende aannemelijk is geworden, vanaf de oprichting alle kenmerken van een klein familiebedrijf vertoond. De wijze van besturen en het functioneren van de organen van de vennootschap werden meer bepaald door het bestaan van familiebanden dan door (statutair vastgelegde) voorschriften. Er kan, zoals [verzoekster] heeft aangevoerd, dan ook van worden uitgegaan dat in bet verleden en ook vanaf 9 december 1988, de dag waarop zij aandeelhoudster in de vennootschap werd, […]”

r.o. 3.3

“Het onderdeel faalt bij gebreke aan feitelijke grondslag. De ondernemingskamer heeft niet miskend dat de aandeelhoudersvergaderingen niet rechtsgeldig zijn opgeroepen. De ondernemingskamer heeft geoordeeld (in rov. 3.5) dat desondanks geen sprake is van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid. De ondernemingskamer daarbij gewezen op het feit dat [verzoekster] (i) mondeling op de hoogte is gesteld, (ii) [verzoekster] geen belangstelling had voor hetgeen zich afspeelde in de vennootschap en geen vergaderingen wenste bij te wonen, (iii) nimmer bezwaar heeft gemaakt tegen de binnen de vennootschap gangbare praktijk. 4.5 Voor zover het onderdeel betoogt dat indien (het bestuur van) een vennootschap een bepaalde (wettelijke of statutaire) norm heeft geschonden, op voorhand dient te worden aangenomen dat sprake is van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen, ziet het onderdeel eraan voorbij dat een dergelijke rechtsregel niet bestaat. Het feit dat het bestuur een bepaalde (wettelijke of statutaire) norm heeft geschonden heeft niet tot gevolg dat op voorhand dient te worden aangenomen dat sprake is gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen, laat staan dat dit de ondernemingskamer tot toewijzing van een enquêteverzoek noopt. Ik verwijs naar de inleiding op het cassatiemiddel. 4.6 Onderdeel 1.2 voert aan dat de ondernemingskamer (in rov. 3.3) blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door - met betrekking tot de vaststelling dat […]”

r.o. 4.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2006:AZ3172
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
15 december 2006
Datum publicatie
15 december 2006
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:350 BW, 2:223 BW, 2:224 BW, 2:15 BW
Thema
Enquêterecht, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Weekoverzicht
Week 50 van 2006

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.