← Week 26

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 29 juni 2007

Lidmaatschap gewone vereniging zonder toelatingsbesluit; belanghebbende artikel 23 Handelsregisterwet

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een vereniging wordt bestuurd door een zittend bestuur dat jarenlang geen ledenvergaderingen hield en de statuten wijzigde. Vaste afnemers van een jaarlijkse premiefoto stellen dat zij leden zijn, maar het hof oordeelt dat toelating door het bestuur ontbreekt. Zij zijn wel belanghebbende bij een verzoek tot doorhaling van de handelsregisterinschrijving. De A-G concludeert tot verwerping van beide cassatieberoepen.

Kernoverwegingen

“De statutaire regeling van de vereniging houdt in dat personen die lid willen worden zich dienen aan te melden bij het bestuur, waarna het bestuur over de toelating beslist (art. 3 van de statuten uit 1967). Of een melding en toelating van een lid hebben plaatsgevonden, is m.i. in belangrijke mate een feitelijke vraag. In rov. 2.15 heeft het hof geoordeeld dat degenen die een premiefoto afnamen niet als lid door het bestuur zijn toegelaten. Tegen zo'n in hoge mate feitelijk oordeel kan in cassatie alleen in uitzonderingsgevallen met succes worden opgekomen. Het is m.i. niet onbegrijpelijk dat het hof tot dit feitelijke oordeel is gekomen, gelet op de omstandigheden die het hof in rov. 2.14 van zijn bestreden arrest in aanmerking heeft genomen. Juist rov. 2.14 wijst erop dat het hof zich heeft beperkt tot een nogal formele feitelijke vaststelling, maar ook bijkomende omstandigheden in aanmerking heeft willen nemen bij het beantwoorden van de vraag of een afnemer van de premiefoto lid van de vereniging is geworden. Middelonderdeel 1 dient m.i. te falen. 2.6 In het tweede middelonderdeel wordt betoogd dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd is, omdat een aantal essentiële stellingen van [eiser] c.s. onbesproken zijn gelaten. De belangrijkste stellingen luiden: - uit documentatie blijkt dat de vereniging ten minste enige duizenden leden heeft die jaarlijks contributie betalen en dat het oude bestuur het lidmaatschap van deze leden in woord […]”

r.o. 2.5

“De eerste stelling is afkomstig van [verweerder] c.s. en terug te vinden in het inleidende verzoekschrift, nummer 15. Dat het hof in rov. 2.14 heeft geoordeeld [eiser] c.s. niet te kunnen volgen, betekent niet dat hieruit dient te worden afgeleid dat de daarop volgende overwegingen van het hof in zijn bestreden beschikking alleen zijn gebaseerd op stellingen van [eiser] c.s. De eerste subklacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Voor de tweede stelling geldt hetzelfde. Ook de tweede subklacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De derde stelling ziet op de overweging van het hof dat onweersproken zou zijn dat het degene die jaarlijks de premiefoto wordt aangeboden vrijstaat van afname af te zien. [Eiser] c.s. hebben betoogd dat zij deze stelling wel degelijk hebben weersproken en twee verwijzingen gegeven naar het procesdossier: de eerste verwijzing leidt naar het beroepschrift, sub 27 en de tweede verwijzing betreft het beroepschrift, bladzijde 11, vijfde alinea (in samenhang met het verslag van de kascommissie van 6 augustus 2001, inleidend verzoekschrift, prod. 19). Het beroepschrift van [eiser] c.s., sub 27 luidt: "(...) De terminologie van het "afnemen" van een foto wordt door appellanten niet gevolgd. Appellanten hebben erop gewezen dat achterstallige contributie wordt geïnd. Dit is in strijd met de volgens de kantonrechter onweersproken gelaten bewering. Appellanten betwisten dat vrijwilligers in de praktijk de betaling van het lidmaatschapsgeld en de […]”

r.o. 2.9

“Mevrouw Boekman heeft betoogd dat, indien in een wetsbepaling de verzoeker slechts met het algemene begrip "belanghebbende" wordt aangeduid -en dat is in art. 23 Handelsregisterwet 1996 het geval- , de invulling van dat begrip dient worden gezocht in: 1- de ratio van de wettelijke bepaling; 2- of er sprake is van een eigen recht, een eigen verplichting of een bijzondere taak van de verzoeker; 3- een eigen belang van de verzoeker, dat uit meer bestaat dan ergernis of emotionele betrokkenheid(20). Hieruit volgt dat het begrip belanghebbende een flexibel begrip dient te zijn. Ik zou menen dat ook met de omstandigheden van het geval rekening gehouden dient te worden en met zoiets, als de maatschappelijke werkelijkheid waarin het geschil zich afspeelt. De Hoge Raad staat in een beschikking uit 1991(21) ook een betrekkelijk flexibele invulling van het begrip belanghebbende voor. In die beschikking overwoog de Hoge Raad: "Uit art. 429n lid 2 Rv volgt dat het recht van hoger beroep van voor hoger beroep vatbare beslissingen behalve aan de verzoeker ook toekomt aan "belanghebbenden". Wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, is in de wet niet in het algemeen aangegeven, maar moet voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid" In een beschikking van 10 november 2006, RvdW 2006, 105(22) heeft de Hoge Raad zijn benadering nog enigszins uitgewerkt in rov. 3.4.2: "Bij de […]”

r.o. 3.6

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2007:AZ7705
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
29 juni 2007
Datum publicatie
29 juni 2007
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:14 BW, 2:42 BW, 2:298 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Weekoverzicht
Week 26 van 2007

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.