Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 30 maart 2007
Enquête: beroep op artikel 2:349 lid 1 BW en tegenverzoek over onderzoeksperiode
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In deze conclusie gaat het over een enquêteverzoek naar het beleid van drie vennootschappen die failliet zijn gegaan. De A-G meent dat in beginsel alleen de vennootschap zich kan beroepen op het vereiste van voorafgaande kennisgeving van bezwaren. Ook kan een belanghebbende zonder eigen enquêterecht bij verweerschrift een tegenverzoek doen om de onderzoeksperiode uit te breiden. Hij concludeert tot verwerping van het principale en het incidentele cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Het onderdeel dient te falen. Blijkens de wetsgeschiedenis strekt art. 2:349 lid 1 BW ertoe te voorkomen dat de vennootschap kan worden "overvallen" door een enquêteverzoek.(21) Het uitgangspunt van de Ondernemingskamer - dat in beginsel alleen de vennootschap een beroep toekomt op art. 2:349 lid 1 BW - acht ik gezien de strekking van art. 2:349 lid 1 BW juist. 4.6 De door onderdeel 2.1 mijns inziens tevergeefs bestreden overweging van de Ondernemingskamer kan het bestreden oordeel reeds zelfstandig dragen. Daarop falen de onderdelen 2.2 en 2.3 reeds bij gebrek aan belang, omdat zij zich keren tegen hetgeen de Ondernemingskamer ten overvloede heeft overwogen. 4.7 Voor het geval Uw Raad zou menen dat onderdeel 2.1 dient te slagen, bespreek ik de onderdelen 2.2 en 2.3. Beide onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 4.8 Onderdeel 2.2 voert aan dat de periode van acht dagen - tussen het kenbaar maken van de bezwaren en het indienen van het enquêteverzoek - in casu te kort was. Niet gezegd kan worden dat de ATR-vennootschappen redelijkerwijs de gelegenheid hebben gehad om de bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te treffen. Dit heeft de Ondernemingskamer miskend, aldus het onderdeel. 4.9 Onderdeel 2.3 keert zich tegen het oordeel dat de omstandigheid dat Jan Rebel desgevraagd inzage had kunnen krijgen in de administratie van LBR en IMCA en laatstgenoemden de bereidheid hebben getoond desgewenst vragen te beantwoorden. Het onderdeel betoogt dat […]”
r.o. 4.5
“Ik meen dat de onderdelen dienen te falen. In de overwegingen van de Ondernemingskamer ligt het kennelijke oordeel besloten dat in het onderhavige geval art. 2:349 lid 1 BW in voldoende mate is nageleefd en ieder belang ontbreekt voor het stellen van verdergaande eisen. Ik acht dit oordeel - met name gezien het feit dat Jan Rebel in het leven is geroepen door de curatoren (nog in hun hoedanigheid als bewindvoerders) van de ATR-vennootschappen - niet onbegrijpelijk en niet rechtens onjuist. 5. Bespreking van het incidentele cassatiemiddel 5.1 Het incidentele cassatiemiddel bevat één klacht. 5.2 Bij inleidend verzoekschrift heeft Jan Rebel verzocht een enquête te gelasten over de periode 30 december 2002 tot en met 2 februari 2005.(22) IMCA heeft bij verweerschrift primair gevorderd niet-ontvankelijkheid van het verzoek van Jan Rebel en voor zover de Ondernemingskamer anders zou oordelen, verzocht: "dat de periode van onderzoek zich uitstrekt tot de periode waarin ATR haar ondernemingen exploiteerde tot en met het moment van staking of overdracht daarvan."(23) 5.3 Dienaangaande heeft de Ondernemingskamer het volgende overwogen: "3.8 Met betrekking tot de periode van onderzoek overweegt de Ondernemingskamer dat, naar uit de vastgestelde feiten volgt, TUI reeds in het kader van de verstrekking van het (verhoogde) boedelkrediet in de eerste helft van februari 2005 een optie op overname van de ondernemingen van - met name - ATR V en ATR VI heeft bedongen (in de vorm van hetzij een […]”
r.o. 4.10
“Ik sluit mij aan bij de meerderheid van de hiervoor genoemde schrijvers en meen dat het een belanghebbende in beginsel vrij staat om op grond van art. 282 lid 4 Rv een reconventioneel verzoek in te dienen. Waar het middel betoogt dat de strekking van het enquêterecht zich verzet tegen toepassing van art. 282 lid 4 Rv binnen het enquêterecht, acht ik dit onjuist. Ik acht het juist in het belang van een goed functionerend enquêterecht dat een belanghebbende conform art. 282 lid 4 Rv een tegenverzoek kan doen. Met Geerts ben ik van mening dat niet uit het oog dient te worden verloren dat in de enquêteprocedure niet het belang van verzoekers, maar het belang van de vennootschap centraal staat. De verwezenlijking van de doeleinden van het enquêterecht - sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon, alsmede opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid(32) - noopt de Ondernemingskamer tot materiële waarheidsvinding. 5.11 Dat in dit geval IMCA niet zelf aan de criteria van art. 2:346 BW voldoet is mijns inziens niet van belang. De criteria van art. 2:346 BW bepalen wie een verzoek tot enquête kan doen. Daarvan dient te worden onderscheiden de vraag naar de omvang van het enquête-onderzoek. Het connexiteitsvereiste van art. 282 lid 4 Rv begrenst daarbij in voldoende mate hetgeen door belanghebbenden kan worden verzocht. 5.12 Voor zover het middel aanvoert dat […]”
r.o. 5.10