Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 13 juli 2007
ABN AMRO/LaSalle: goedkeuringsrecht aandeelhoudersvergadering bij verkoop dochter, artikel 2:107a en 2:8 BW
- Enquêterecht
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
De OK verbood bij wijze van onmiddellijke voorziening in een enquêteprocedure de uitvoering van de verkoop van een grote dochter van een bankholding zonder goedkeuring van de aandeelhoudersvergadering, op grond van analoge toepassing van artikel 2:107a BW en artikel 2:8 BW. De A-G concludeert dat de analogie onvoldoende is gemotiveerd en dat de redelijkheid en billijkheid slechts in uitzonderlijke gevallen een niet in wet of statuten genoemde bevoegdheid kunnen scheppen. Hij acht de cassatieklachten hierover gegrond.
Kernoverwegingen
“Nu de vraag of de redelijkheid en billijkheid kunnen bewerkstelligen dat een orgaan een bevoegdheid toekomt die het op grond van de wet of statuten niet heeft. Het gaat hier om een vorm van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Zoals opgemerkt, heeft deze aanvullende werking in het vennootschapsrecht doorgaans de functie om het uitoefenen van een aan een bepaald orgaan in de wet of statuten toegekende bevoegdheid te normeren. Het op grond van de redelijkheid en billijkheid toekennen van een nieuwe bevoegdheid aan een bepaald orgaan gaat veel verder dan het inkleuren van een in wet of statuten toegekende bevoegdheid. Ik wil niet categorisch uitsluiten dat aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan meebrengen dat voor een bepaald orgaan een hem niet door de wet of statuten toegekende bevoegdheid mag worden aangenomen. Het moet dan mijns inziens wel evident zijn dat in de omstandigheden van het geval een dergelijke bevoegdheid aan het betrokken orgaan dient toe te komen. Er dient hierover tussen de rechtsgenoten redelijkerwijs geen verschil van inzicht mogelijk te zijn. Ik denk bijvoorbeeld aan een besluit van het bestuur van een B.V. tot materiële liquidatie (door bijvoorbeeld verkoop van alle activa).(59) De bevoegdheidsverlening dient ook te passen in het stelsel van de wet. Een andere opvatting verdraagt zich niet met het beginsel van het wettelijke systeem dat in het belang van de rechtszekerheid en een goede organisatie van de […]”
r.o. 3.49
“Uit de HBG-beschikking leid ik af dat in beginsel een verplichting tot voorafgaande consultatie of goedkeuring van aandeelhouders een basis dient te hebben in een wettelijke of statutaire regeling, nu een ander uitgangspunt tot een onaanvaardbare rechtsonzekerheid zou leiden. Dat uitgangspunt is in overeenstemming met hetgeen hierboven is opgemerkt over de werking van art. 2:8 lid 1 BW bij het aannemen van bevoegdheden die niet op de wet of statuten kunnen worden gebaseerd. Ik zie weinig ruimte voor het aannemen van een bepaalde bevoegdheid van de aandeelhoudersvergadering buiten wet en statuten om. Er dienen zich dan wel bijzondere omstandigheden voor te doen. Die nieuwe bevoegdheid dient te wortelen in in Nederland levende rechtsovertuigingen. 3.54 Na deze uitvoerige inleiding kom ik thans tot de behandeling van het cassatiemiddel. 4. Bespreking van het cassatiemiddel 4.1 Het middel valt uiteen in negen onderdelen met een onderverdeling in subonderdelen. 4.2 Onderdeel 1 (par. 3 van het cassatieverzoek) bevat 4 subonderdelen die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. Het onderdeel richt zich tegen het oordeel van de Ondernemingskamer dat, aangezien de besluitvorming over (de uiteindelijke eigendom van) aandelen exclusief is voorbehouden aan de houder van de desbetreffende aandelen (rov. 3.17), zich hier de vraag aandient, "in hoeverre in de omstandigheden van het zich thans voordoende geval (nog) sprake is van (niet méér dan) een aangelegenheid van bepaling van de […]”
r.o. 3.53
“Art. 2:107a BW heeft -zo meen ik- een nogal bijzondere opzet. Bij de (analogische) toepasssing van dit artikel dient aan deze bijzondere opzet recht te worden gedaan. Het artikel noemt een drietal groepen besluiten waarvoor het bestuur goedkeuring dient te vragen aan de aandeelhoudersvergadering. Als een bepaald besluit niet onder één van deze groepen valt, fungeert de formule "besluiten omtrent een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap" als vangnet. Met dit vangnet heeft de wetgever in vergelijking met de oorspronkelijke opzet van art. 2:107a BW een verruiming van de reikwijdte ervan beoogd (zie de hierboven geciteerde tweede nota van wijziging) en gepoogd een redelijke, niet te sterk op het cijfer en de letter van de gevallen a, b en c gerichte wetstoepassing te bevorderen. Daarbij is het bijzondere dat art. 2:107a BW lid 1 onder c BW kwantitatieve kriteria hanteert, terwijl de vangnet-formule een - overigens strenge - kwalitatieve maatstaf benut. Mijns inziens past het niet om de vangnet-formule van art. 2:107a BW die bedoeld was om een al te benauwde uitleg van art. 2:107a BW te verhinderen op zijn beurt ruim toe te passen. Er wordt dan een tweede vangnet gecreëerd dat gevallen moet opvangen die buiten het in art. 2:107a BW al opgenomen vangnet vallen. Ik meen dat de vraag of art. 2:107a BW in een bepaald geval van (analogische) toepassing is, beoordeeld dient te worden aan de hand van de in dat artikel geformuleerde criteria, […]”
r.o. 4.24