← Week 28

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 13 juli 2007

Conclusie A-G: ABN AMRO, onmiddellijke voorziening OK en goedkeuringsrecht AVA bij LaSalle-verkoop

  • Enquêterecht
  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een bank die een fusie met een andere bank voorbereidt, gaat in cassatie tegen een onmiddellijke voorziening van de OK die de uitvoering van de verkoop van een dochtermaatschappij opschort in afwachting van een enquête. De A-G concludeert tot verwerping. Volgens hem heeft de OK het goedkeuringsrecht van de AVA gebaseerd op artikel 2:8 BW en analoge toepassing van artikel 2:107a BW, en niet op artikel 2:349a BW zelf. De klachten over rechten van derden en vertegenwoordigingsbevoegdheid verwijst hij naar zijn conclusie in de hoofdzaak.

Kernoverwegingen

“Onderdeel 3 betoogt -kort gezegd- dat de door de Ondernemingskamer getroffen voorziening de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur doorkruist. Aldus krijgt een intern werkende vennootschappelijke norm van 2:8 BW een externe werking. Het vennootschapsrecht krijg zo aldus voorrang boven het contractenrecht. Dat interne bevoegdheidsbeperkingen aan te goeder trouw zijnde derden kunnen worden tegengeworpen is voorts in strijd met het Bibolini-arrest.(2) 2.12 Ook deze klacht correspondeert met de onderdelen 7.1 tot en met 7.3 uit de zaak R07/102 en faalt om dezelfde redenen als uiteengezet in deze zaak bij de bespreking van deze onderdelen. - Onderdeel 4 (afbakening bevoegdheden Ondernemingskamer en "gewone"rechter) 2.13 Onderdeel 4.1 bevat een inleiding en geen zelfstandige klacht. 2.14 Onderdeel 4.2 bevat de klacht dat de Ondernemingskamer onvoldoende duidelijk maakt waarom er in dit geval (voorshands) gegronde redenen zouden zijn om aan een juist beleid te twijfelen. De overweging dat " geenszins kan worden uitgesloten dat een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van ABN-Amro zal (kunnen) worden bevolen en de Ondernemingskamer een of meer onderzoeker(s) zal (kunnen) benoemen." is volstrekt algemeen en nietszeggend volgens het onderdeel. 2.14 De klacht correspondeert met onderdeel 6 uit de zaak R07/102 en faalt om dezelfde redenen als uiteengezet in deze zaak bij de bespreking van dit onderdeel. 2.15 Onderdeel 4.3 voert aan dat de Ondernemingskamer onvoldoende […]”

r.o. 2.11

“Ook deze klacht correspondeert met de onderdelen 7.1 tot en met 7.3 uit de zaak R07/102 en faalt om dezelfde redenen als uiteengezet in deze zaak bij de bespreking van deze onderdelen. - Onderdeel 4 (afbakening bevoegdheden Ondernemingskamer en "gewone"rechter) 2.13 Onderdeel 4.1 bevat een inleiding en geen zelfstandige klacht. 2.14 Onderdeel 4.2 bevat de klacht dat de Ondernemingskamer onvoldoende duidelijk maakt waarom er in dit geval (voorshands) gegronde redenen zouden zijn om aan een juist beleid te twijfelen. De overweging dat " geenszins kan worden uitgesloten dat een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van ABN-Amro zal (kunnen) worden bevolen en de Ondernemingskamer een of meer onderzoeker(s) zal (kunnen) benoemen." is volstrekt algemeen en nietszeggend volgens het onderdeel. 2.14 De klacht correspondeert met onderdeel 6 uit de zaak R07/102 en faalt om dezelfde redenen als uiteengezet in deze zaak bij de bespreking van dit onderdeel. 2.15 Onderdeel 4.3 voert aan dat de Ondernemingskamer onvoldoende duidelijk maakt waarom zij zich gerechtigd acht en geroepen voelt om in dit geval deze voorziening te treffen. Uit de bestreden beschikking blijkt niet dat de getroffen voorziening in het belang van het onderzoek nodig zou zijn. Tevens valt niet, althans niet zonder meer in te zien waarom de toestand van de vennootschap tot het treffen van deze voorziening noopte. 2.16 Uitgaande de gedachte van de Ondernemingskamer dat de aandeelhoudersvergadering van ABN AMRO […]”

r.o. 2.12

“Uitgaande de gedachte van de Ondernemingskamer dat de aandeelhoudersvergadering van ABN AMRO Holding het recht toekomt de LaSalle-transactie goed te keuren, heeft de Ondernemingskamer voldoende grond om de onmiddelijke voorziening waarom was verzocht op te leggen. 2.17 Onderdeel 4.4 voert aan dat de getroffen voorziening temeer onbegrijpelijk is nu de algemene vergadering niet zelf bij machte zou zijn om de verkoop van LaSalle terug te draaien. Daaruit volgt dat de Ondernemingskamer de algemene vergadering met een bevoegdheid heeft bekleed, die zij noch aan de wet, noch aan de statuten kan ontlenen, maar die wel inbreuk maakt op de rechten en belangen van derden. 2.18 Ik begrijp het onderdeel zo dat de Ondernemingskamer niet een voorziening mag opleggen die inhoudt dat de algemene vergadering een goedkeuringsrecht wordt verleend. Een dergelijke voorziening doorkruist de wijze waarop de wet en de statuten de bevoegdheden over de organen verdelen. Ten minste geldt dat het de Ondernemingskamer niet vrij staat de algemene vergadering met een bevoegdheid te bekleden die haar op grond van de wet of de statuten niet toekomt. In beginsel is de gedachte van het onderdeel juist. De onderdelen miskennen dat de bestreden beschikking zich mijns inziens niet anders laat verstaan dan dat de Ondernemingskamer oordeelt dat de algemene vergadering op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW en op grond van een analogische toepassing van art. 2: 107a BW in dit geval het recht toekomt de de […]”

r.o. 2.16

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2007:BA7971
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
13 juli 2007
Datum publicatie
13 juli 2007
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:8 BW, 2:107a BW, 2:349a BW
Thema
Enquêterecht, Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 28 van 2007

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.