Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 13 juli 2007
ABN AMRO: onmiddellijke voorziening opschorting verkoop LaSalle; goedkeuringsrecht AVA
- Enquêterecht
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Conclusie in de ABN AMRO-enquêtezaak over het cassatieberoep van de koper van een dochtervennootschap tegen een onmiddellijke voorziening van de OK, die de uitvoering van de verkoop opschortte totdat de AVA de transactie had goedgekeurd. De A-G verwerpt de klachten over externe werking, proportionaliteit en motivering. Voor de klachten over het ontbreken van een goedkeuringsrecht van de AVA verwijst hij naar zijn conclusie in de zaak van de bankholding zelf. Hij concludeert tot vernietiging van de beschikking.
Kernoverwegingen
“Het onderdeel ziet er in al zijn subonderdelen aan voorbij dat de onmiddellijke voorziening inhoudende dat de overeenkomst met LaSalle niet uitgevoerd mag worden alvorens deze overeenkomst is goedgekeurd door de algemene vergadering van aandeelhouders, een tijdelijk verbod betreft tot uitvoering van de overeenkomst, maar de geldigheid van de koopovereenkomst en de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur om die overeenkomst af te sluiten onverlet laat. - Onderdeel 2 (geen grond voor onmiddellijke voorziening) 2.7 Onderdeel 2 keert zich tegen rov. 3.25: "3.25 De Ondernemingskamer acht dan ook het treffen van onmiddellijke voorzieningen met het oog op de toestand van ABN AMRO Holding en ABN AMRO Bank in zoverre geboden, te meer nu geenszins kan worden uitgesloten dat een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van ABN AMRO zal (kunnen) worden bevolen en de Ondernemingskamer een of meer onderzoeker(s) zal (kunnen) benoemen. (...) 2.8 De onderdelen 2.1 en 2.2 voeren aan dat de Ondernemingskamer heeft verzuimd vast te stellen dat aannemelijk is - althans de gerede kans bestaat - dat de Ondernemingskamer in een later stadium zal oordelen dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid van de vennootschap te twijfelen. Daarover heeft de Ondernemingskamer onvoldoende vastgesteld. 2.9 Ik verwijs naar de behandeling van onderdeel 6 in mijn conclusie bij de zaak R07/102. In dat onderdeel wordt dezelfde klacht aan de orde gesteld. 2.10 Onderdeel 2.3 klaagt dat de […]”
r.o. 2.6
“Het onderdeel faalt. Dat een voorziening die de ondernemingskamer treft nimmer ertoe mag leiden dat de vennootschap wanprestatie pleegt onder een overeenkomst met een derden is geen regel die kan worden aanvaard. De eis dat een getroffen voorzieningen proportioneel dient te zijn (vgl. de Skygate-beschikking), omvat mede een beoordeling van de gevolgen die een getroffen voorzieningen heeft voor derden, in het licht van hetgeen met de voorziening is beoogd. De klacht correspondeert voorts met onderdeel 7.1 uit de zaak R07/102. - Onderdeel 3 (belangen van Bank of America zijn in onvoldoende mate (kenbaar) meegewogen) 2.12 Onderdeel 3.1 bevat een inleidende klacht en keert zich tegen rov. 3.27 waarin de Ondernemingskamer het betoog verwerpt van Bank of America dat zij door de gevraagde onmiddellijke voorziening tot opschorting van de uitvoering van de Koopovereenkomst in onevenredige mate zal worden benadeeld: 3.27. Nu vaststaat dat het belang van Bank of America zich, evenals ingeval van een superior proposal in de zin van de Koopovereenkomst, slechts zal (kunnen) vertalen in een door haar van ABN AMRO Bank te ontvangen geldelijke tegemoetkoming of schadeloosstelling en dat overigens door de litigieuze verkoop van LaSalle geen andere belangen (zoals die van werknemers) worden geraakt dan die van ABN AMRO zelf en (vooral) haar aandeelhouders en - derhalve - ook de verzochte voorzieningen uitsluitend schadelijke gevolgen zouden (kunnen) hebben voor deze beide partijen, terwijl […]”
r.o. 2.11
“De onderdelen zijn tevergeefs voorgesteld. De eis dat een getroffen voorzieningen proportioneel dient te zijn - zoals tot uitdrukking gebracht in de Skygate beschikking - omvat mede een beoordeling van de gevolgen die een getroffen voorzieningen heeft voor derden, in het licht van hetgeen met de voorziening is beoogd. Voor het overige stellen de onderdelen te hoge motiveringseisen aan de beschikking van de Ondernemingskamer. - Onderdeel 4 (Strijd met het vennootschappelijk belang) 2.18 Onderdeel 4 valt uiteen in 6 onderdelen die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. Het onderdeel keert zich tegen rov. 3.20: "Naar het oordeel van de Ondernemingskamer kan deze vraag niet anders worden beantwoord dan dat met het - strategische - besluit van (het bestuur en de raad van commissarissen van) ABN AMRO Holding om het stand alone scenario te verlaten en een fusie aan te gaan met, dan wel anderszins een bod op de aandelen van ABN AMRO Holding uit te lokken van een derde partij, het domein van de aangelegenheden die - in het kader van de wet en regels van corporate governance - aan hen, bestuur en raad van commissarissen, zijn voorbehouden, is verlaten en dat de besluitvorming omtrent een dergelijk (al of niet door het bestuur en de raad van commissarissen van ABN AMRO Holding ondersteund) openbaar bod toekomt aan de aandeelhouders. Immers, met het zogenaamd ''in de etalage zetten'' althans ''gezet worden'' van ABN AMRO hebben het bestuur en de raad van commissarissen van ABN AMRO […]”
r.o. 2.17