Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 29 februari 2008
Conclusie: tegenstrijdig belang bestuurder bij overeenkomst tussen twee vennootschappen (Antillen)
- Overig Boek 2
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
In deze Antilliaanse zaak bespreekt de A-G de maatstaf voor tegenstrijdig belang van een bestuurder (artikel 124 WvKNA oud, gelijk aan artikel 2:146 BW) bij een overeenkomst tussen twee vennootschappen die door dezelfde persoon werden vertegenwoordigd. Volgens de A-G is niet vereist dat de vennootschap wordt benadeeld, maar moet wel een persoonlijk belang van de bestuurder zijn gesteld. Omdat dat ontbrak, faalt die klacht. De conclusie strekt toch tot vernietiging, omdat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.
Kernoverwegingen
“Onderdeel 4 behelst - verkort weergegeven - de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van tegenstrijdige belangen bij het aangaan van de overeenkomst tussen [verweerster] en CBC op 11 juli 2003. Het Hof is - aldus de klacht - uitgegaan van de onjuiste rechtsopvatting dat artikel 124 WvKNA (oud)(18) slechts van toepassing is wanneer blijkt dat de vennootschap als gevolg van de betrokken rechtshandeling enig nadeel dreigt te lijden. Het Hof heeft voorts miskend - aldus nog steeds de klacht - dat van een tegenstrijdig belang sprake kan zijn wanneer een vennootschap (i.c. CBC), vertegenwoordigd door haar bestuurder-rechtspersoon (Odima), die op haar beurt wordt vertegenwoordigd door haar bestuurder-natuurlijke persoon ([betrokkene 2]), handelt met een vennootschap ([verweerster]), vertegenwoordigd door diezelfde natuurlijke persoon ([betrokkene 2]) die ook bestuurder is van laatstgenoemde vennootschap ([verweerster]). 2.11. De strekking van artikel 2:146 (256) BW is te voorkomen dat de bestuurder bij zijn handelen zich (met name) laat leiden door zijn persoonlijk belang in plaats van (uitsluitend) het belang van de vennootschap dat hij heeft te dienen(19). Deze bepaling strekt volgens uw Raad tot bescherming van de vennootschap door de bestuurder de bevoegdheid te ontzeggen de vennootschap te vertegenwoordigen als hij door de aanwezigheid van een persoonlijk belang of door zijn betrokkenheid bij een ander met dat van de rechtspersoon niet parallel […]”
r.o. 2.10
“De strekking van artikel 2:146 (256) BW is te voorkomen dat de bestuurder bij zijn handelen zich (met name) laat leiden door zijn persoonlijk belang in plaats van (uitsluitend) het belang van de vennootschap dat hij heeft te dienen(19). Deze bepaling strekt volgens uw Raad tot bescherming van de vennootschap door de bestuurder de bevoegdheid te ontzeggen de vennootschap te vertegenwoordigen als hij door de aanwezigheid van een persoonlijk belang of door zijn betrokkenheid bij een ander met dat van de rechtspersoon niet parallel lopend belang niet in staat moet worden geacht het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming te bewaken op een wijze die van een integer en onbevooroordeeld bestuurder mag worden verwacht. Voor de toepassing van artikel 2:146 (256) BW is niet vereist dat de betrokken rechtshandeling daadwerkelijk tot benadeling van de vennootschap zal leiden. De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat, kan slechts worden beantwoord met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval(20). 2.12. Artikel 2:256 (146) BW zal niet zonder meer toepassing mogen vinden op grond van het enkele feit dat de bestuurder de belangen van twee onderscheiden vennootschappen heeft behartigd. Alsdan zal een beroep op artikel 2:256 (146) BW tot aantasting van een namens de vennootschap(pen) verrichte rechtshandeling slechts kunnen slagen als een persoonlijk belang van de bestuurder tegenstrijdig was met het belang van de vennootschap(pen) en de […]”
r.o. 2.11
“Artikel 2:256 (146) BW zal niet zonder meer toepassing mogen vinden op grond van het enkele feit dat de bestuurder de belangen van twee onderscheiden vennootschappen heeft behartigd. Alsdan zal een beroep op artikel 2:256 (146) BW tot aantasting van een namens de vennootschap(pen) verrichte rechtshandeling slechts kunnen slagen als een persoonlijk belang van de bestuurder tegenstrijdig was met het belang van de vennootschap(pen) en de daaraan verbonden onderneming op grond van daartoe naar voren gebrachte, voldoende geadstrueerde, omstandigheden die zodanig van invloed kunnen zijn geweest op de besluitvorming van de betrokken bestuurder dat hij zich op grond van deze bepaling niet in staat had mogen achten het belang van de vennootschap(pen) en de daaraan verbonden onderneming met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen en zich van de desbetreffende rechtshandeling had moeten onthouden(21). 2.13. Voor zover het Hof tot uitgangspunt heeft genomen dat van een tegenstrijdig belang eerst sprake kan zijn wanneer sprake is van (dreiging van) benadeling van één van de partijen, heeft het Hof - gelet op het voorgaande - blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. In zoverre is de klacht onder 4.2 terecht voorgesteld. De klacht faalt evenwel toch nu van een persoonlijk belang van [betrokkene 2] op grond waarvan hij niet langer in staat was om voor (uiteindelijk) CBC de belangen met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen niet is gebleken. CBC heeft […]”
r.o. 2.12