← Week 26

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 26 juni 2009

Conclusie: enquête naar failliete vennootschap en doeleinden enquêterecht (KPNQwest)

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In deze conclusie over een enquêteverzoek naar een failliete beursgenoteerde vennootschap gaat het om de vraag of openheid van zaken en vaststelling van verantwoordelijkheid zelfstandige doeleinden van het enquêterecht zijn. De A-G meent van wel en ziet geen reden om terug te komen op de Ogem-rechtspraak. Een enquête naar een failliete vennootschap is daarom mogelijk. Onzekerheid over de financiering van het onderzoek staat inhoudelijke behandeling in beginsel niet in de weg. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Ik voeg daar nog het volgende aan toe. Onder de wet van 1928 was het verkrijgen van openheid van zaken zonder twijfel een zelfstandig doel van de enquêteprocedure; deze openheid van zaken zou als positief (neven)effect kunnen hebben dat de verhoudingen worden hersteld. In 1971 wordt het enquêterecht verruimd(36) door meer het accent te leggen op sanering en herstel van gezonde verhoudingen. Niet verwonderlijk is dat in de parlementaire geschiedenis in het bijzonder wordt stilgestaan bij deze doeleinden die aan gewicht winnen. Nergens blijkt echter dat deze verruiming leidt tot een transformatie van het enquêterecht, in die zin dat openheid van zaken en vaststellen van verantwoordelijkheid voortaan uitsluitend van ondergeschikte betekenis zouden zijn en dat het nu uitsluitend zou gaan om sanering en herstel van gezonde verhoudingen. In 1928 was het verkrijgen van openheid in de eerste plaats doel op zich en in de tweede plaats middel. In 1971 verandert de rangorde in zoverre dat het verkrijgen van openheid zowel doel als middel is.(37) In de literatuur wordt niet voldoende onderkend dat de doelstellingen van het enquêterecht moeten worden afgeleid uit zowel de wet van 1928 als van 1971.(38) 4.17 Ik keer terug naar subonderdeel (i) dat wordt uitgewerkt in par. 6 - 31. Par. 6 benadrukt de zuiverende werking als doel van de wet van 1928. In par. 7 - 14 betoogt het subonderdeel met een beroep op de wetsgeschiedenis dat de sanering en herstel van gezonde verhoudingen in de […]”

r.o. 4.16

“Aan de steller van het onderdeel kan worden toegegeven dat de minister inderdaad spreekt over doeleinden van de enquête, en niet van doeleinden van de enquêteprocedure. Naar mijn mening wordt hieruit een onjuiste conclusie getrokken. In de zin die hieraan vooraf ging, sprak de minister over de enquêteprocedure. Het komt mij voor dat de minister tijdens de mondelinge behandeling eenvoudigweg het begrip 'enquêteprocedure' verkort heeft aangeduid als 'enquête,' zoals ook thans in het dagelijks spraakgebruik regelmatig gebeurt. In ieder geval blijkt nergens dat de minister heeft beoogd een onderscheid aan te brengen tussen de doelstellingen van de enquêteprocedure en de doelstellingen van de enquête in de zin van het onderzoek. Dit zou in de gegeven context, waarin de minister antwoordt op de vraag naar de betekenis van het begrip 'gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen' ook merkwaardig zijn. Ik meen daarom, anders dan het subonderdeel, en mét de Hoge Raad en AG Mok, dat vaststelling van verantwoordelijkheid één van de doelstellingen van de enquêteprocedure is. Daarmee behoort deze vaststelling tevens tot de doelstellingen van het onderzoek. 4.21 In par. 25 - 28 wordt betoogd dat er van het enquêterecht weliswaar een preventieve werking kan uitgaan, maar dat deze geen zelfstandig doel vormt van de enquêteprocedure. Ik kan in deze paragrafen geen klachten lezen. 4.22 Par. 29 concludeert dat uit het feit dat de enquêteprocedure slechts sanering en herstel van […]”

r.o. 4.20

“Ik kan deze rechtsopvatting niet delen. Hierboven heb ik betoogd dat het enquêterecht meer beoogt dan alleen sanering en herstel van gezonde verhoudingen: ook het verkrijgen van opening van zaken en het vaststellen van verantwoordelijkheid voor het beleid behoren tot de doelstellingen. Deze doelstellingen worden niet doorkruist door het faillissement. Niet voor niets heeft de minister uitsluitend gesproken van doorkruising van de sanering door het faillissement. Een andere opvatting zou overigens tot onwenselijke gevolgen kunnen leiden: bestuurders van een vennootschap in zwaar weer zouden in het zicht van een enquête in de verleiding kunnen komen aan te sturen op faillissement teneinde een enquête te voorkomen. (ii) HR 17 mei 1989, NJ 1993, 206 (Van den Berg) 4.24 Onderdeel (ii) wordt uitgewerkt in par. 32 - 35. Centraal staat een overweging uit HR 17 mei 1989, NJ 1993, 206 (Van den Berg), kort voor de Ogem-beschikking gewezen. De feiten zijn te kennen uit de beschikkingen die aan deze uitspraak voorafgaan.(42) Twee broers, alsmede twee neven, zonen van de beide broers, waren aandeelhouders en directeuren van een familievennootschap. Een familieruzie leidt tot een patstelling. Op 24 januari 1985 constateert de Ondernemingskamer wanbeleid. Op 26 juni 1986 ontslaat zij een van de broers als directeur en benoemt drie commissarissen voor de duur van twee jaar. Op 30 juni 1988 overweegt de Ondernemingskamer dat de onderhandelingen over een aandelenoverdracht zijn afgebroken; de […]”

r.o. 4.23

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2009:BD5516
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
26 juni 2009
Datum publicatie
26 juni 2009
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:345 BW, 2:350 BW, 2:354 BW, 2:355 BW, 2:356 BW, 2:138 BW, 2:8 BW, 2:9 BW, 2:107 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 26 van 2009

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.