← Week 26

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 26 juni 2009

Enquête Qwest: cassatie tegen ontvangstbevestiging en onderzoekersbenoeming; faillissementsenquête en financiering

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een conclusie in een enquêtezaak over een failliete vennootschap. Het cassatieberoep richt zich tegen een ontvangstbevestiging van de secretaris van de OK en tegen de beschikking waarbij onderzoekers zijn aangewezen. De A-G concludeert tot niet-ontvankelijkheid ten aanzien van de ontvangstbevestiging en tot verwerping voor het overige, onder verwijzing naar zijn conclusies in de samenhangende zaken over de doelen van het enquêterecht en de financiering van een faillissementsenquête.

Kernoverwegingen

“Het beroep gericht tegen de ontvangstbevestiging is niet ontvankelijk, m.m. om de redenen vermeld in paragraaf 2.3 - 2.5 van mijn conclusie voor 08/03660HR. 6. Het middel betoogt dat, indien één of meer cassatieklachten in de zaak R07/068HR, resp. C07/3660 (kennelijk doelt het middel op zaak 08/03660HR) zouden slagen, de bestreden beschikking evenmin in stand kan blijven. In mijn conclusies voor deze cassatieberoepen heb ik geconcludeerd tot verwerping van de respectieve beroepen.(1) Om die reden kan ook het thans voorliggende cassatieberoep niet slagen. 7. Ik sta nog kort stil bij de strekking van de beide conclusies. In R07/068HR hebben Verzoekers betoogd dat de doeleinden van de enquêteprocedure uitsluitend zijn gelegen in de sanering en het herstel van gezonde verhoudingen. Omdat het verkrijgen van opening van zaken en het vaststellen van de verantwoordelijkheid voor wanbeleid niet zouden behoren tot de doeleinden van het enquêterecht, zou de Hoge Raad moeten terugkomen op de OGEM-beschikking.(2) Volgens Verzoekers kan daarom geen enquête worden gelast naar de gang van zaken bij een failliete vennootschap. 8. In mijn conclusie heb ik betoogd dat het enquêterecht meer beoogt dan alleen sanering en herstel van gezonde verhoudingen: ook het verkrijgen van opening van zaken en het vaststellen van verantwoordelijkheid voor het beleid behoren tot de doelstellingen van het enquêterecht. Deze doelstellingen worden niet doorkruist door het faillissement van de vennootschap. De […]”

r.o. 5

“Het middel betoogt dat, indien één of meer cassatieklachten in de zaak R07/068HR, resp. C07/3660 (kennelijk doelt het middel op zaak 08/03660HR) zouden slagen, de bestreden beschikking evenmin in stand kan blijven. In mijn conclusies voor deze cassatieberoepen heb ik geconcludeerd tot verwerping van de respectieve beroepen.(1) Om die reden kan ook het thans voorliggende cassatieberoep niet slagen. 7. Ik sta nog kort stil bij de strekking van de beide conclusies. In R07/068HR hebben Verzoekers betoogd dat de doeleinden van de enquêteprocedure uitsluitend zijn gelegen in de sanering en het herstel van gezonde verhoudingen. Omdat het verkrijgen van opening van zaken en het vaststellen van de verantwoordelijkheid voor wanbeleid niet zouden behoren tot de doeleinden van het enquêterecht, zou de Hoge Raad moeten terugkomen op de OGEM-beschikking.(2) Volgens Verzoekers kan daarom geen enquête worden gelast naar de gang van zaken bij een failliete vennootschap. 8. In mijn conclusie heb ik betoogd dat het enquêterecht meer beoogt dan alleen sanering en herstel van gezonde verhoudingen: ook het verkrijgen van opening van zaken en het vaststellen van verantwoordelijkheid voor het beleid behoren tot de doelstellingen van het enquêterecht. Deze doelstellingen worden niet doorkruist door het faillissement van de vennootschap. De wetsgeschiedenis biedt onvoldoende aanknopingspunten om terug te komen op OGEM, terwijl ook voor het overige daartoe onvoldoende redenen bestaan. Ik heb voorts […]”

r.o. 6

“In mijn conclusie heb ik betoogd dat het enquêterecht meer beoogt dan alleen sanering en herstel van gezonde verhoudingen: ook het verkrijgen van opening van zaken en het vaststellen van verantwoordelijkheid voor het beleid behoren tot de doelstellingen van het enquêterecht. Deze doelstellingen worden niet doorkruist door het faillissement van de vennootschap. De wetsgeschiedenis biedt onvoldoende aanknopingspunten om terug te komen op OGEM, terwijl ook voor het overige daartoe onvoldoende redenen bestaan. Ik heb voorts betoogd dat een enquêteverzoek moet worden afgewezen indien het belang van verzoekers niet opweegt tegen het belang van de vennootschap bij afwijzing ervan. De vraag of hiervan sprake is in geval van faillissement zal van geval tot geval moeten worden vastgesteld. 9. Subsidiair speelt in R07/068HR de vraag of een enquêteverzoek naar een failliete vennootschap wel in behandeling kan worden genomen, indien tevoren onzeker is of voldoende financiële middelen voor een eventueel onderzoek beschikbaar zijn. Volgens Verzoekers leidt het gebrek aan financiële middelen in de praktijk tot grote problemen bij faillissement-enquêtes. 10. Weliswaar is het in het algemeen ongewenst dat er wegens onduidelijkheid over de financiering van het onderzoek gedurende een lange periode onzekerheid blijft bestaan over de vraag of er wel een onderzoek zal komen. Maar bij een failliete vennootschap is dit argument minder klemmend dan bij een solvabele vennootschap. Volgens de […]”

r.o. 8

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2009:BI0216
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
26 juni 2009
Datum publicatie
26 juni 2009
Spoor
Boek 2 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 26 van 2009

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.