← Week 26

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 26 juni 2009

Beklamel-aansprakelijkheid bestuurder bij ongeclausuleerde kapitaalinstandhoudingsverklaring; objectieve wetenschapsmaatstaf

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

In een conclusie bij de Hoge Raad gaat het om de persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder die namens zijn vennootschap een kapitaalinstandhoudingsverklaring afgaf, terwijl nakoming niet in alle gedekte omstandigheden mogelijk was. De A-G meent dat de wetenschap van de bestuurder bij de Beklamel-norm in zekere mate geobjectiveerd moet worden en dat het hof de norm juist toepaste. Ook de schadebegroting naar het negatief belang acht hij juist. Hij concludeert tot verwerping van het principale en het incidentele beroep.

Kernoverwegingen

“Ik kan mij met de onderdelen niet verenigen. Op grond van de Beklamel-norm, zoals geformuleerd in Ontvanger/[B], is een bestuurder in beginsel aansprakelijk wanneer deze bij het aangaan van verbintenissen namens de vennootschap wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. In de door de onderdelen verdedigde rechtsopvatting zou een bestuurder slechts aansprakelijk zijn wanneer hij op het moment waarop hij subjectief meent (of redelijkerwijs mag menen) namens de vennootschap een verbintenis aan te gaan wist of behoorde te begrijpen dat de vennootschap die verbintenis zoals de bestuurder subjectief meende (of mocht menen) dat deze luidde niet zou kunnen voldoen. Ik kan de door mij gecursiveerde zinsdelen niet in de Beklamel-norm lezen, zoals deze bij voorbeeld in Ontvanger/[B] is geformuleerd. 3.10. Daar komt het volgende inhoudelijke argument bij: indien men van een subjectieve benadering uitgaat, zoals de middelonderdelen verdedigen, leidt dit tot een m.i. onwenselijke uitholling van de Beklamel-norm. Eiser zou bij voorbeeld moeten bewijzen dat de bestuurder/gedaagde 'zelf en subjectief' namens de vennootschap meende een verbintenis met een bepaalde inhoud aan te gaan. Een dergelijk bewijs van andermans geestestoestand zal vaak niet te leveren zijn. Een zekere objectivering van de wetenschap van de bestuurder is m.i. onvermijdelijk om tot een evenwichtig toe te passen […]”

r.o. 3.9

“Daar komt het volgende inhoudelijke argument bij: indien men van een subjectieve benadering uitgaat, zoals de middelonderdelen verdedigen, leidt dit tot een m.i. onwenselijke uitholling van de Beklamel-norm. Eiser zou bij voorbeeld moeten bewijzen dat de bestuurder/gedaagde 'zelf en subjectief' namens de vennootschap meende een verbintenis met een bepaalde inhoud aan te gaan. Een dergelijk bewijs van andermans geestestoestand zal vaak niet te leveren zijn. Een zekere objectivering van de wetenschap van de bestuurder is m.i. onvermijdelijk om tot een evenwichtig toe te passen aansprakelijkheidsnorm te geraken. De onderdelen onderkennen dit ook. Zo spreekt onderdeel 1.2, dat op onderdeel 1.1 voortbouwt, van "de ("subjectieve") maatstaf van het weten of van het behoren te begrijpen." Ook in onderdeel 2.1 komt dezelfde tournure voor. Daarin wordt gesteld dat het bij de bepaling van het peilmoment erom gaat "op welk moment [eiser 1], respectievelijk [eiseres 2] (zelf en "subjectief") hebben gedacht en mogen denken dat de verplichtingen tot stand zijn gekomen." Ook in de s.t. worden woorden met deze strekking gebezigd.(17) De onderdelen betogen dat er verschil bestaat tussen enerzijds "de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan een verbintenis mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten" en anderzijds "de zin die één partij redelijkerwijs aan een verbintenis mocht toekennen en hetgeen deze partij te dien aanzien […]”

r.o. 3.10

“Het onderdeel faalt. Uit rov. 2.10 van het eindarrest blijkt dat het hof uitgaat van de juiste Beklamel-norm. Ik lees rov. 2.11 van het bestreden arrest als volgt. In de aanhef van rov. 2.11 duidt het hof aan dat in deze rov. wordt beoordeeld of [eiser 1] volgens de (juiste) Beklamel-norm aansprakelijk is. In de tweede zin van rov. 2.11 overweegt het hof dat [eiser 1] wist dat de vennootschap niet, althans niet in voldoende mate over financiële middelen beschikte om aan haar verplichtingen uit die KIV te voldoen en daarvoor afhankelijk was van [betrokkene 1] die slechts geclausuleerd bereid was gelden aan [eiseres 2] ter beschikking te stellen. Het gevolg van deze houding van [betrokkene 1] is volgens het hof dat [eiseres 2] in een aantal door de KIV gegarandeerde omstandigheden wel, maar in een aantal andere gegarandeerde omstandigheden de verbintenissen uit de KIV niet kan nakomen. Dit laatste wist [eiser 1], althans hij heeft dit moeten begrijpen. Nu [eiser 1] dit wist althans moest weten, overtreedt hij volgens het hof bij het afleggen van de KIV de Beklamel-norm. Ik meen dat deze gedachtengang van het hof in dit enigszins specifieke geval goed verdedigbaar is. Bijzonder aan deze casus is dat [eiseres 2] in de KIV een resultaat heeft toegezegd, een garantie heeft gegeven dat het vermogen van Vista aan bepaalde eisen voldeed. [Betrokkene 1] heeft in verband hiermee een voorbehoud gemaakt waardoor het bij voorbaat duidelijk was dat de garantie niet in alle omstandigheden […]”

r.o. 3.16

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2009:BI0468
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
26 juni 2009
Datum publicatie
26 juni 2009
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 2:9 BW, 2:8 BW, 6:98 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 26 van 2009

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.