Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 9 oktober 2009
Tegenstrijdig belang bestuurder: ontbrekend formeel aanwijzingsbesluit, uitdrukkelijke instemming enig aandeelhouder
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een curator stelt dat een failliete beheervennootschap niet is gebonden aan een geldlening en hypotheek, omdat de bestuurder een tegenstrijdig belang had (artikel 2:256 BW) en een formeel aanwijzingsbesluit ontbrak. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Uitdrukkelijke instemming van de enig aandeelhouder met de vertegenwoordiging door deze bestuurder kan worden gelijkgesteld aan een uitdrukkelijk aanwijzingsbesluit; een tweede besluit zou te ver gaand formalisme zijn.
Kernoverwegingen
“Naar het oordeel van de rechtbank leidt het vorenoverwogene in onderling verband en samenhang bezien tot de conclusie dat het de aandeelhoudersvergadering van [C] Beheer, in casu [betrokkene 1] in zijn hoedanigheid van (enig) aandeelhouder, duidelijk is geweest dat [betrokkene 2] niet alleen namens [C] Beheer, maar ook namens BoVe op zou treden bij de uitvoering van de [raamovereenkomst] en dat hij ermee heeft ingestemd dat [betrokkene 2] [C] Beheer vertegenwoordigde bij het aangaan van de overeenkomst van geldlening en het vestigen van de hypotheek. Hoewel er geen expliciet aanwijzingsbesluit is genomen, is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak voldaan aan de strekking van artikel 14 van de statuten en 2:256 BW, en moet [betrokkene 2] geacht worden te zijn aangewezen als vertegenwoordiger van [C] Beheer bij het aangaan de overeenkomst van geldlening en het vestigen van de hypotheek. Dat betekent dat [C] Beheer aan die rechtshandelingen gebonden is en dat het betreffende deel van de vordering van de curator moet worden afgewezen." 3.3. Enkele andere vorderingen van de curator, die in cassatie geen rol meer spelen, worden door de rechtbank wel toegewezen. De curator heeft hoger beroep ingesteld en gevorderd dat de vorderingen voor zover betrekking hebbend op BoVe alsnog worden toegewezen. 3.4. Het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, memoreert dat de rechtbank heeft geoordeeld dat het feit dat [betrokkene 2] zowel optrad namens Beheer, als namens BoVe met zich […]”
r.o. 4.9
“Met een praktische, op de ratio van de regeling toegesneden toepassing van Duplicado valt niet te rijmen de opvatting die onderdeel 1.2 verdedigt. Anders dan het onderdeel betoogt, valt n.m.m. niet in te zien waarom een tweede besluit nog nodig zou zijn, nu reeds vaststaat dat [betrokkene 1] in hoedanigheid van bestuurder van Holding, op haar beurt handelend als enig aandeelhouder van Beheer, uitdrukkelijk heeft ingestemd met de raamovereenkomst en de vertegenwoordiging door [betrokkene 2]. Zelfs indien men - gelijk het hof Amsterdam bij [A 1] - zou aannemen dat geen sprake is van een uitdrukkelijk aanwijzingsbesluit, dan kan toch deze uitdrukkelijke instemming met de vertegenwoordiging door [betrokkene 2] hieraan wel worden gelijkgesteld. De door het onderdeel verdedigde opvatting zou n.m.m. leiden tot te ver gaand formalisme. 4.11. Anders dan onderdeel 1.2 betoogt acht ik niet onbegrijpelijk het oordeel dat de AVA van Beheer zich het tegenstrijdig belang van [betrokkene 2] moet hebben gerealiseerd. Immers is volstrekt voor de hand liggend dat de belangen van een vennootschap in zwaar weer en haar financier niet parallel lopen, dat het hof hier gevoeglijk van mocht uitgaan. 4.12. Onderdeel 1.3 bouwt voort op dezelfde onjuiste rechtsopvatting als onderdeel 1.2 en moet het lot ervan delen. 4.13. Onderdeel 2 stelt dat het slagen van de onderdelen 1 - 1.3 ook rov. 4.8 vitiëren. 4.14. Onderdeel 3 klaagt over het passeren een bewijsaanbod in rov. 4.9. De curator heeft onder […]”
r.o. 4.10
“Anders dan onderdeel 1.2 betoogt acht ik niet onbegrijpelijk het oordeel dat de AVA van Beheer zich het tegenstrijdig belang van [betrokkene 2] moet hebben gerealiseerd. Immers is volstrekt voor de hand liggend dat de belangen van een vennootschap in zwaar weer en haar financier niet parallel lopen, dat het hof hier gevoeglijk van mocht uitgaan. 4.12. Onderdeel 1.3 bouwt voort op dezelfde onjuiste rechtsopvatting als onderdeel 1.2 en moet het lot ervan delen. 4.13. Onderdeel 2 stelt dat het slagen van de onderdelen 1 - 1.3 ook rov. 4.8 vitiëren. 4.14. Onderdeel 3 klaagt over het passeren een bewijsaanbod in rov. 4.9. De curator heeft onder andere aangeboden dat [betrokkene 1] zou kunnen getuigen aangaande de zaken die hem persoonlijk betreffen. Gelet op de achter 1 weergegeven oordelen van het hof, waarin de betekenis van de 'voor akkoord' ondertekening door [betrokkene 1] centraal staat, had het hof het bewijsaanbod niet als niet ter zake dienend mogen passeren, althans heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. 4.15. Bij dagvaarding(10) heeft de curator een algemeen bewijsaanbod gedaan en hieraan toegevoegd niet specifieker te kunnen zijn, maar dat wellicht het verweer door Maatbouw en/of BoVe daarin verandering zou kunnen brengen. Bij repliek(11) heeft de curator zijn bewijsaanbod gehandhaafd en dit gespecificeerd 'in die zin dat [betrokkene 1] natuurlijk zou kunnen getuigen aangaande zaken die hem persoonlijk betreffen.' In appèl(12) heeft de curator opnieuw een […]”
r.o. 4.11