← Week 7

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 19 februari 2010

Bevoegdheden van door rechter benoemde tijdelijk bestuurder van stichting; benoeming en ontslag bestuurders

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een rechtbank benoemde bij voorlopige voorziening op grond van artikel 2:298 lid 2 BW een tijdelijk bestuurder van een stichting. Die benoemde drie nieuwe bestuurders en ontsloeg samen met hen de geschorste bestuurder. De A-G concludeert dat een tijdelijk bestuurder dezelfde bevoegdheden kan hebben als een permanent bestuurder, mits de rechter dat zo bepaalt, en dat het cassatieberoep moet worden verworpen.

Kernoverwegingen

“De klachten in subonderdeel (i) kunnen naar mijn mening niet tot cassatie leiden. De Rechtbank Almelo heeft [betrokkene 1] bij beschikking van 24 november 2004(3) bij wijze van voorlopige voorziening krachtens art. 2:298 lid 2 BW tot voorlopig bestuurder benoemd en bepaald dat zijn bevoegdheden bestaan uit hetgeen daartoe bij wet en krachtens de statuten van de Stichting is bepaald. Deze beschikking is door het hof Arnhem op 10 oktober 2005(4) bekrachtigd. Met de beschikking van Uw Raad van 8 juni 2007(5) stond in rechte vast dat [betrokkene 1] de door de rechtbank Almelo op 24 november 2004 toegekende bevoegdheden tot 8 juni 2007 had. Het hof neemt het bestaan van deze bevoegdheden in het bestreden arrest dan ook terecht tot uitgangspunt. Het middel gaat m.i. uit van de onjuiste rechtsopvatting dat een krachtens art. 2:298 lid 2 BW benoemde voorlopig bestuurder slechts bevoegd is te handelen in zaken die geen uitstel kunnen verdragen. Art. 2:298 BW inzake ontslag en schorsing van bestuurders van een stichting luidt: "1. Een bestuurder die: a. iets doet of nalaat in strijd met de bepalingen van de wet of van de statuten, dan wel zich schuldig maakt aan wanbeheer, of b. niet of niet behoorlijk voldoet aan een door de voorzieningenrechter van de rechtbank, ingevolge het vorige artikel, gegeven bevel, kan door de rechtbank worden ontslagen. 2. De rechtbank kan, hangende het onderzoek, voorlopige voorzieningen in het bestuur treffen en de bestuurder schorsen. 3. (..)" Art. 2:298 […]”

r.o. 3.3

“De vraag of een krachtens art. 2:298 lid 2 BW benoemde tijdelijk bestuurder beperktere bevoegdheden heeft dan een permanent bestuurder van een stichting wordt voor zover ik kan overzien noch in de literatuur noch in de jurisprudentie besproken. Voor de beantwoording van deze vraag kan aansluiting worden gezocht bij het enquêterecht. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de regeling van art. 2:297 en 2:298 BW (art. 2.4.10 en 2.4.11 Ontw.) volgens de wetgever tot hetzelfde doel leidt als de regeling van het enquêterecht. In de parlementaire geschiedenis wordt het volgende opgemerkt: " Toepasselijkverklaring van de titel inzake het enquêterecht past niet goed bij de stichting die geen aandeelhouders of leden kent. In de artikelen 2.4.10 en 2.4.11 van het ontwerp is reeds een regeling opgenomen die wel bij de structuur der stichting past en die tot hetzelfde doel leidt." (9) Uw Raad is reeds in HR 10 november 2006, NJ 2007, 45 uitgegaan van analogische toepassing van de regeling van het enquêterecht op art. 2:298 BW: "3.6.2 Het ontslag van bestuurders doet een nieuwe rechtstoestand ontstaan welke in beginsel eerst met het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak een aanvang neemt. De aard van deze beslissing is echter niet zodanig dat deze, in afwijking van art. 288 Rv, niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Het hof heeft in dit verband terecht betekenis gehecht aan de omstandigheid dat de wetgever een zodanige maatregel in de regeling van het […]”

r.o. 3.4

“Ik concludeer dat de rechtbank, indien zij dit geboden acht, aan een tijdelijk bestuurder dezelfde bevoegdheden kan toekennen als een permanent bestuurder bezit. De rechter zal bij het treffen van een dergelijke voorziening rekening moeten houden met en een billijke afweging moeten maken van de belangen van de betrokken partijen. Het enkele feit dat het toekennen van de "reguliere bestuurdersbevoegdheden" aan een tijdelijk bestuurder tot onomkeerbare gevolgen kan leiden, behoeft niet aan het treffen van een dergelijke voorziening in de weg te staan. Uit de st. van eiseres tot cassatie(12) blijkt dat zij haar stelling dat een tijdelijk bestuurder alleen die besluiten mag nemen die geen uitstel kunnen verdragen mede baseert op HR 6 juni 2003, NJ 2003, 486. Hierin overwoog Uw Raad: "Rov. 3.7.3 (..) De door de Ondernemingskamer getroffen voorziening is naar haar aard een tijdelijke maatregel. De omstandigheid dat de door de Ondernemingskamer aangewezen bestuurder kan meewerken aan besluitvorming waarvan de gevolgen onomkeerbaar zijn, kan daaraan niet afdoen. Aantekening verdient dat de benoeming van een (tijdelijk) bestuurder juist ertoe dient om besluitvorming die geen uitstel kan verdragen, mogelijk te maken. Het ontbreken van de mogelijkheid van besluitvorming kan immers eveneens tot onomkeerbare en onwenselijke gevolgen leiden.(..)" Het enkele feit dat de benoeming van een (tijdelijk) bestuurder ertoe dient om besluitvorming die geen uitstel kan verdragen mogelijk te maken, […]”

r.o. 3.6

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2010:BK5989
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
19 februari 2010
Datum publicatie
19 februari 2010
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:298 BW, 2:14 BW, 2:15 BW, 2:8 BW, 2:297 BW, 2:349a BW, 2:356 BW, 2:358 BW, 2:250 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie, Besluitvorming en vernietigbaarheid, Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 7 van 2010

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.