← Week 15

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 16 april 2010

Jaarrekening: afwaardering vordering na faillissement debiteur en gebeurtenissen na vaststelling

  • Jaarrekening
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In deze conclusie gaat het om een aandeelhouder die de OK vroeg een jaarrekening te laten wijzigen door een vordering op een failliete debiteur af te waarderen tot nihil. De A-G bespreekt hoe gebeurtenissen na de balansdatum in de jaarrekening verwerkt moeten worden en geeft invulling aan het voorzichtigheidsbeginsel van artikel 2:384 lid 2 BW. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Voorts kunnen drie verschillende perioden worden onderscheiden, waarin gebeurtenissen na de balansdatum zich kunnen voordoen:(15) a. balansdatum tot datum opmaken jaarrekening door het bestuur; b. datum opmaken jaarrekening tot datum vaststellen jaarrekening door algemene vergadering van aandeelhouders; c. periode na vaststelling. Met betrekking tot deze perioden bepaalt de wet (kort gezegd) als volgt:(16) periode a.:art. 2:384 lid 2 BW: Gebeurtenissen na balansdatum moeten in acht worden genomen tot de datum van het opmaken van de jaarrekening. periode b.:art. 2:362 lid 6, eerste zin BW: De jaarrekening wordt vastgesteld met inachtneming van hetgeen omtrent de financiële toestand op de balansdatum is gebleken tussen het opmaken van de jaarrekening en de algemene vergadering waarin zij wordt behandeld (vastgesteld), voor zover dat onontbeerlijk is voor het in art. 2:362 lid 1 BW bedoelde inzicht (zie voetnoot 12).(17) periode c.:art. 2:362 lid 6, tweede zin BW: Blijkt na de vaststelling van de jaarrekening dat de jaarrekening in ernstige mate tekortschiet in het geven van het in art. 2:362 lid 1 BW bedoelde inzicht, dan bericht het bestuur daaromtrent onverwijld aan de leden of aandeelhouders en aan het handelsregister (de zogenaamde "désaveuverklaring"). 3.7 Uit het voorgaande volgt dat zodra eenmaal de jaarrekening is vastgesteld door de algemene vergadering, de jaarrekening van de rechtspersoon is tot stand gekomen. Wijzigingen zijn dan in beginsel(18) niet meer mogelijk. […]”

r.o. 3.6

“Uit het voorgaande volgt dat zodra eenmaal de jaarrekening is vastgesteld door de algemene vergadering, de jaarrekening van de rechtspersoon is tot stand gekomen. Wijzigingen zijn dan in beginsel(18) niet meer mogelijk. Resteert slechts de désaveuverklaring. Daarnaast moeten de financiële gevolgen van de aanvullende informatie worden verwerkt in de eerstvolgende jaarrekening.(19) 3.8 In de onderhavige zaak is sprake van een gebeurtenis die zich heeft voorgedaan in periode c; de jaarrekening over het boekjaar 2001 is vastgesteld in de algemene vergadering van 16 december 2004, waarná het betreffende vonnis door de rechtbank Haarlem is gewezen op 25 mei 2005. Ingevolge het voorgaande behoeft dit vonnis in de jaarrekening over 2001 niet in acht te worden genomen en rust op het bestuur van [verweerster] hooguit de verplichting om hieromtrent een désaveuverklaring neer te leggen.(20) 3.9 Een en ander betekent mijns inziens niet dat de Ondernemingskamer ten onrechte op grond van het vonnis van de rechtbank Haarlem de vordering van [eiseres] tot afwaardering van de vordering van [verweerster] op [A] tot nihil heeft afgewezen. Het middel gaat eraan voorbij dat het vonnis van de rechtbank Haarlem weliswaar dateert van ná de vaststelling van de jaarrekening, maar dat aangenomen mag worden dat dit vonnis zijn oorsprong vindt vóór de vaststelling van de jaarrekening en mogelijk zelfs vóór het opmaken van de jaarrekening dan wel vóór de balansdatum van 31 december 2001. In november 2001 […]”

r.o. 3.7

“In de onderhavige zaak is sprake van een gebeurtenis die zich heeft voorgedaan in periode c; de jaarrekening over het boekjaar 2001 is vastgesteld in de algemene vergadering van 16 december 2004, waarná het betreffende vonnis door de rechtbank Haarlem is gewezen op 25 mei 2005. Ingevolge het voorgaande behoeft dit vonnis in de jaarrekening over 2001 niet in acht te worden genomen en rust op het bestuur van [verweerster] hooguit de verplichting om hieromtrent een désaveuverklaring neer te leggen.(20) 3.9 Een en ander betekent mijns inziens niet dat de Ondernemingskamer ten onrechte op grond van het vonnis van de rechtbank Haarlem de vordering van [eiseres] tot afwaardering van de vordering van [verweerster] op [A] tot nihil heeft afgewezen. Het middel gaat eraan voorbij dat het vonnis van de rechtbank Haarlem weliswaar dateert van ná de vaststelling van de jaarrekening, maar dat aangenomen mag worden dat dit vonnis zijn oorsprong vindt vóór de vaststelling van de jaarrekening en mogelijk zelfs vóór het opmaken van de jaarrekening dan wel vóór de balansdatum van 31 december 2001. In november 2001 werd immers het faillissement van [A] uitgesproken. Hoewel aan het middel moet worden toegegeven dat dit faillissement toen voor [verweerster] mogelijk aanleiding had moeten zijn om haar vordering op - het failliete - [A] tot nihil af te waarderen vanwege de oninbaarheid hiervan, ligt het voor de hand om aan te nemen dat onderzoek door het bestuur en de accountant van [verweerster] […]”

r.o. 3.8

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2010:BL5416
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
16 april 2010
Datum publicatie
16 april 2010
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:362 BW, 2:384 BW, 2:387 BW, 2:392 BW
Thema
Jaarrekening
Weekoverzicht
Week 15 van 2010

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.