← Week 27

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 9 juli 2010

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens onrechtmatige bekrachtiging van rechtshandeling vóór oprichting BV (artikel 2:203 lid 3 BW)

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een bestuurder en enig aandeelhouder wordt persoonlijk aangesproken omdat hij een vóór oprichting door de BV in oprichting gesloten koopovereenkomst bekrachtigde, terwijl hij wist of kon weten dat de BV niet zou kunnen nakomen. De A-G meent dat bij zulke wetenschap in beginsel sprake is van een voldoende ernstig verwijt, tenzij rechtvaardigende of verontschuldigende omstandigheden worden aangevoerd. Redelijkheid en billijkheid verplichten de wederpartij niet tot uitstel. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Ik stel voorop dat er een onderscheid is tussen de aansprakelijkheid van de oprichter voor de vóór oprichting verrichte rechtshandelingen (artikel 2:203, lid 3, begin eerste volzin BW) en de aansprakelijkheid van de bestuurder voor de onrechtmatige bekrachtiging van de rechtshandeling die vóór de oprichting van de vennootschap is verricht (in dit geval betreft het de aansprakelijkheid van de bestuurder uit hoofde van onrechtmatige daad, waarop art. 2:203, lid 3, einde eerste volzin BW doelt). Uit de rov. 3, 4, 7 en 8 van het bestreden arrest blijkt dat het Hof [eiser] aansprakelijk houdt als bestuurder voor de bekrachtiging. In sub-subonderdeel 2.1.3-i stelt [eiser] dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door aansprakelijkheid van [eiser] aan te nemen op grond van de wetenschap op 23 maart 2006 dat de overeengekomen afnamedatum niet zou worden gehaald. [eiser] voert aan dat het Hof tevens had moeten onderzoeken of de omstandigheden voldoende ernstig waren om aansprakelijkheid te kunnen rechtvaardigen. [Eiser] wijst op een arrest van 18 februari 2000(7) dat zijn standpunt m.i. niet ondersteunt. In rov. 3.4.1 overweegt Uw Raad(8): "[...] In de rechtspraak zijn gevallen aan de orde geweest, waarin aan een bestuurder van een vennootschap werd verweten dat hij in naam van de vennootschap verplichtingen was aangegaan terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden […]”

r.o. 5.24

“Uitgangspunt zijn de contractuele afspraken tussen partijen. De redelijkheid en billijkheid brengen niet mee dat een contractspartij in beginsel gehouden is zijn wederpartij uitstel te verlenen, wanneer die wederpartij de contractueel overeengekomen termijnen niet haalt. Dat geldt zeker in een geval als het onderhavige waarin een waarborgsom, een financieringsvoorbehoud en een boetebeding zijn opgenomen die zijn gekoppeld aan duidelijk vastgelegde termijnen. Bovendien is in cassatie onbestreden dat [verweerder] c.s. de vennootschap na de overeengekomen leveringsdatum nog tweemaal in de gelegenheid hebben gesteld om alsnog na te komen (slot van rov. 7). 5.18 Ook de omstandigheden waarop [eiser] in 2.1.2-iii op blz. 11 van de cassatiedagvaarding een beroep doet, doen aan het voorgaande niet af. De in de klacht opgenomen omstandigheden doen niet af aan het bestreden oordeel van het Hof. Dat [verweerder] c.s. wisten dat de verkrijging van een financiering cruciaal was bij het sluiten van de overeenkomst is bij dergelijke transacties gebruikelijk en betekent nog niet dat een uitstel van de leveringstermijn moet worden aangeboden. Dat [verweerder] c.s. wisten dat de koop door de vennootschap in oprichting en niet door [eiser] in privé werd gesloten, is m.i. niet relevant. Dat [verweerder] c.s. van het verloop van de financieringsaanvraag op de hoogte werden gehouden en zij zelf stellen dat het een feit van algemene bekendheid is dat dergelijke financieringen wat langer duren, […]”

r.o. 5.17

“Het Hof heeft m.i. wel degelijk de juiste maatstaf aangelegd. [Verweerder] c.s. konden ten opzichte van de vennootschap een beroep doen op de overeengekomen boeteclausule. Het Hof heeft [eiser] aansprakelijk geacht wegens bekrachtiging van de door de vennootschap in oprichting verrichte rechtshandelingen. Dit betreft de aansprakelijkheid van bestuurders uit hoofde van onrechtmatige daad, waarop art. 2:203, lid 3, einde eerste volzin BW doelt. Dit type aansprakelijkheid van de bestuurder leidt tot een veroordeling tot de betaling van schadevergoeding. De vennootschap kan een beroep op matiging van de boete doen op grond van art. 6:94 BW, [eiser] niet. Zoals het Hof heeft onderkend, kan [eiser] wel verzoeken de schadevergoeding te matigen op grond van 6:109 BW. Het Hof heeft zijn oordeel afdoende gemotiveerd, zodat de klacht faalt. 5.35 In onderdeel 3 (in 2.3) voert [eiser] ten slotte aan dat rov. 12 en het dictum geen stand kunnen houden indien één van de voorgaande klachten slaagt. Dit onderdeel heeft dus geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van de overige klachten. 6. Conclusie Deze strekt tot verwerping. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Advocaat-Generaal 1 Ontleend aan rov. 2.1-2.5 van het vonnis van 3 januari 2007 van de rechtbank Groningen en rov. 1.1- 1.4 van het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 6 augustus 2008. 2 Zoals al vermeld, is het arrest van het hof van 6 augustus 2008. De cassatiedagvaarding is op 5 […]”

r.o. 5.34

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2010:BM3891
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
9 juli 2010
Datum publicatie
9 juli 2010
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
2:203 BW, 6:162 BW, 6:109 BW, 6:94 BW, 6:2 BW, 2:248 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Overig Boek 2
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 27 van 2010

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.