Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 10 september 2010
Enquête: onvolledig onderzoeksverslag en discretionaire bevoegdheden van de OK
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêteprocedure over een gefailleerde beursvennootschap wees de OK het verzoek tot vaststelling van wanbeleid af, omdat het onderzoek door gebrek aan budget te beperkt was gebleven. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. De OK heeft een beleidsvrijheid om bij een onvolledig verslag wel of geen nadere stukken, toelichting van de onderzoeker of heropening van het onderzoek te vragen. Het oordeel dat het verslag onvoldoende grondslag biedt, is een feitelijk oordeel dat niet onbegrijpelijk is.
Kernoverwegingen
“Deze onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Aan het oordeel of sprake was van wanbeleid en zo ja, wie daarvoor verantwoordelijk is, gaat vooraf de vraag of de Ondernemingskamer in staat is op basis van het rapport een verantwoord oordeel te vormen over het beleid en de gang van zaken binnen LCI. Deze voorvraag is van feitelijke aard en kan in cassatie in beginsel slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. 2.5. In dit geval is het onderzoek onvolledig, omdat een kortere periode wordt belicht dan de Ondernemingskamer voor ogen heeft gehad in haar enquête-beschikking. Bovendien was het onderzoek volgens de onderzoeker zelf onevenwichtig in die zin dat niet aan ieder onderwerp de aandacht kon worden besteed die het onderwerp rechtvaardigde. Zo kon nauwelijks aandacht worden besteed aan de Oostenrijkse fraude, die een belangrijke directe aanleiding voor het faillissement vormde. Klaarblijkelijk bracht die onvolledigheid van het rapport volgens de Ondernemingskamer niet alleen mee dat de onderwerpen die in het verslag wel aan de orde komen van onvoldoende gewicht waren om verantwoord te kunnen oordelen over het beleid en de gang van zaken binnen LCI, maar ook dat het relatieve belang van deze onderwerpen onvoldoende kan worden ingeschat, omdat andere onderwerpen niet of nauwelijks aan bod waren gekomen. Dit feitelijke oordeel is naar mijn mening niet onbegrijpelijk. De onderdelen falen daarom. 2.6. Volgens onderdeel 7.4 miskent de Ondernemingskamer dat zij in een […]”
r.o. 2.4
“In dit geval is het onderzoek onvolledig, omdat een kortere periode wordt belicht dan de Ondernemingskamer voor ogen heeft gehad in haar enquête-beschikking. Bovendien was het onderzoek volgens de onderzoeker zelf onevenwichtig in die zin dat niet aan ieder onderwerp de aandacht kon worden besteed die het onderwerp rechtvaardigde. Zo kon nauwelijks aandacht worden besteed aan de Oostenrijkse fraude, die een belangrijke directe aanleiding voor het faillissement vormde. Klaarblijkelijk bracht die onvolledigheid van het rapport volgens de Ondernemingskamer niet alleen mee dat de onderwerpen die in het verslag wel aan de orde komen van onvoldoende gewicht waren om verantwoord te kunnen oordelen over het beleid en de gang van zaken binnen LCI, maar ook dat het relatieve belang van deze onderwerpen onvoldoende kan worden ingeschat, omdat andere onderwerpen niet of nauwelijks aan bod waren gekomen. Dit feitelijke oordeel is naar mijn mening niet onbegrijpelijk. De onderdelen falen daarom. 2.6. Volgens onderdeel 7.4 miskent de Ondernemingskamer dat zij in een geval als het onderhavige, indien uit het debat tussen partijen na deponering van het verslag, of ambtshalve blijkt dat het onderzoek niet volledig is geweest, (i) partijen moet vragen bescheiden in het geding te brengen, dan wel de onderzoeker moet vragen bescheiden in het geding te brengen, dan wel de onderzoeker moet vragen aanwezig te zijn tijdens de mondelinge behandeling en/of (ii) bij tussenbeschikking (ambtshalve) moet […]”
r.o. 2.5
“Uit de door mij onderstreepte woorden blijkt dat de Ondernemingskamer een beleidsvrijheid heeft bij de vraag of nadere bescheiden in het geding moeten worden gebracht of dat het onderzoek wordt heropend. Het onderdeel berust daarom op een onjuiste rechtsopvatting. In dit geval heeft de Ondernemingskamer ervan afgezien om de onderzoeker of partijen te verzoeken meer stukken in het geding te brengen om de onderzoeker te verzoeken bij de behandeling aanwezig te zijn of om een nieuw onderzoek te gelasten. Dat stond haar vrij. Overigens kan deze beslissing goed worden begrepen tegen de achtergrond van het feit dat het niet eenvoudig is gebleken het onderzoek te financieren. 2.9. Onderdeel 7.5 berust op de lezing van de derde volzin van rov. 3.10 dat de Ondernemingskamer wel inhoudelijk heeft beoordeeld of de in het verslag beschreven gedragingen wanbeleid opleveren en heeft geoordeeld dat dit niet het geval is. Deze lezing mist feitelijke grondslag, zodat de klachten buiten beschouwing kunnen blijven. 2.10. Onderdeel 7.6 en 7.7 richten zich op rov. 3.11. Onderdeel 7.6 bouwt voort op de voorgaande onderdelen en faalt. Hetzelfde geldt voor de eerste alinea van onderdeel 7.7. Dit onderdeel betoogt voorts dat in het verslag en in de samenvatting bevindingen staan die niet werden genoemd in de beschikking van 3 januari 2006, maar die wel bevestigen dat gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid. Deze bevindingen vormen een voldoende basis voor het oordeel wanbeleid. […]”
r.o. 2.8