Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 8 april 2011
Enquêtebevoegdheid primary beneficiary van trust bij Nederlandse kleindochter-BV
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In deze conclusie gaat het om de vraag of de primary beneficiary van een trust naar het recht van Bermuda bevoegd is een enquête te verzoeken bij een Nederlandse houdstermaatschappij. De aandelen daarin worden gehouden door twee Curaçaose vennootschappen. De A-G stelt dat de kring van enquêtegerechtigden in artikel 2:346 BW limitatief is en dat een economisch belang alleen onvoldoende is. Ook een concernenquête is niet mogelijk, omdat de moedervennootschappen buiten Nederland zijn gevestigd. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Ik keer terug naar de bespreking van het onderdeel. De rechtsklacht dat de Ondernemingskamer heeft miskend dat de bevoegdheid om een enquête te verzoeken ook kan toekomen aan degene die weliswaar geen aandeelhouder of certificaathouder is, maar wel een economisch belang heeft bij de (certificaten van) aandelen in de vennootschap waarin de enquête wordt verzocht, moet naar mijn mening falen. De Ondernemingskamer heeft in rov. 3.3 terecht de hoofdregel vooropgesteld dat het recht van enquête op grond van art. 2:346 onder b BW toekomt aan aandeelhouders en certificaathouders. Deze opsomming is, zoals gezegd, limitatief. De bovengenoemde beschikkingen van de Hoge Raad van 6 juni 2003 en 10 september 2010 noch de wetsgeschiedenis rechtvaardigen de opvatting van het onderdeel dat art. 2:346 onder b BW van toepassing is op een dergelijke ruime (onbepaalde) kring van enquêtegerechtigden. De enkele aanwezigheid van 'een economisch belang' bij (certificaten van) aandelen in de vennootschap is onvoldoende voor toepasselijkheid van art. 2:346 onder b BW. Het gaat erom dat de betrokkene als kapitaalverschaffer een eigen - dat wil zeggen een niet afgeleid - economisch belang heeft bij de (certificaten van) aandelen. De rechtsklacht gaat uit van een andere, onjuiste, rechtsopvatting en faalt derhalve. 2.15 De motiveringsklacht mist naar mijn mening feitelijke grondslag en faalt evenzeer. De Ondernemingskamer is niet voorbijgegaan aan de stelling van [verzoeker] dat hij dient te worden […]”
r.o. 2.14
“Het subonderdeel faalt, nu hieraan (kennelijk) de - onjuiste - rechtsopvatting ten grondslag ligt dat de positie van degene die een economisch belang heeft bij het beleid en de gang van zaken in een (kleindochter)vennootschap, moet worden gelijkgesteld met een enquêtegerechtigde aandeelhouder, certificaathouder of hieraan gelijk te stellen economisch gerechtigde. Ik moge verwijzen naar hetgeen ik hierboven heb opgemerkt bij de bespreking van het eerste onderdeel. Overigens lijkt het subonderdeel te miskennen dat de Ondernemingskamer de economische werkelijkheid aldus heeft beoordeeld dat aan Global en Castor wél een reële betekenis toekomt en zij dus voor de beantwoording van de ontvankelijkheidsvraag niet, anders dat het onderdeel betoogt(23), kunnen worden 'weggedacht'. Reeds daarom gaat de verwijzing naar de beschikking van de Ondernemingskamer van 22 maart 2006(24)(waarin het bovendien ging om een concernenquête binnen een structuur van Nederlandse vennootschappen) niet op. 2.19 Subonderdeel 2b klaagt dat de overwegingen van de Ondernemingskamer in rov. 3.7 geen toereikende motivering vormen voor de verwerping van de stelling van [verzoeker] dat aan Global en Castor geen reële betekenis toekomt. Uit de omstandigheid dat een keuze is gemaakt voor een bepaalde structuur en dat de onderscheiden vennootschappen in verschillende staten zijn gevestigd, volgt niet dat Global en Castor een reële economische betekenis hebben. 2.20 De beoordeling of aan Global en Castor reële […]”
r.o. 2.18
“Het subonderdeel lijkt in de eerste plaats te miskennen dat geen certificaten van aandelen in TESN zijn uitgegeven. De aandelen van Global en Castor in TESN zijn alle ondergebracht in de eerdergenoemde vier trusts (AB Bermuda Trust 1, AB Bermuda Trust 2, MB Bermuda Trust 1, MB Bermuda Trust 2) en de aandelen zijn daartoe in trust overgedragen aan BTCL, de trustee van de vier trusts. BTCL is mitsdien geen certificaathouder. Global en Castor houden de aandelen dus niet ten titel van beheer en voor rekening van BTCL. Anders dan aan een certificaathouder, aan wie op grond van de administratievoorwaarden jegens het administratiekantoor rechten toekomen die in het financiële vlak liggen (zoals dividenduitkeringen), heeft BTCL terzake dan ook geen 'vorderingsrecht' op Global en Castor. Het oordeel van de Ondernemingskamer geeft in zoverre dan ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ten tweede bouwt het subonderdeel voort op de onjuiste rechtsopvatting dat degene bij wie het economisch belang van de aandelen berust, moet worden gelijkgesteld aan de enquêtegerechtigde certificaathouder (zie hierboven). De verwijzing in het subonderdeel naar het oordeel van de Ondernemingskamer van 9 december 1999(25)gaat niet op nu de Ondernemingskamer in dat geval vaststelde dat de verzoekster de economische eigendom had van 25% van de aandelen en oordeelde dat haar positie daarmee is gelijk te stellen aan die van een houder van certificaten van aandelen. Over het hebben van een economisch […]”
r.o. 2.25