← Week 14

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 8 april 2011

Interne bestuurdersaansprakelijkheid: artikel 7:661 BW en maatstaf artikel 2:9 BW in cassatie

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een woningbouwstichting vorderde op grond van artikel 7:661 BW schadevergoeding van haar voormalige statutair bestuurder wegens fraude bij vastgoedtransacties. In cassatie ging het onder meer om de vraag of het hof buiten de rechtsstrijd trad door ook de ernstig-verwijtmaatstaf van artikel 2:9 BW te betrekken. De A-G concludeert tot verwerping: de toewijzing wordt gedragen door opzet of bewuste roekeloosheid, zodat de aanvullende maatstaf niets toevoegt en de klachten geen belang hebben.

Kernoverwegingen

“Onderdeel 1.a (p. 3, alinea 3 cassatiedagvaarding) is gericht tegen rov. 3.2. De klacht richt zich tot 's hofs overweging dat, doordat [eiser] statutair bestuurder is, ook rekening moet worden gehouden met de maatstaf van art. 2:9 BW. Deze maatstaf houdt in dat de bestuurder aansprakelijk is als hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Geklaagd wordt dat het hof hiermee de beoordelingsmaatstaf buiten de grenzen van de rechtsstrijd uitbreidt, nu noch [eiser] noch PWS hebben geklaagd over de door de kantonrechter aangelegde maatstaf waarin een ernstig verwijt niet wordt genoemd. Onderdeel 1.d (p. 4, alinea 1 cassatiedagvaarding) bevat op dit onderdeel voortbouwende klachten. De eerste klacht houdt in dat het hof beide maatstaven onvoldoende onderscheidt, wanneer het in rov. 3.10 overweegt dat voor het aannemen van aansprakelijkheid uitgangspunt is dat [eiser] een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Een ernstig verwijt is ook denkbaar bij anders dan opzettelijk of bewust roekeloos handelen, aldus de klacht. De tweede klacht van het onderdeel houdt in dat, zo het het hof al vrij stond om aansprakelijkheid aan te nemen op grond van een ernstig verwijt, het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, althans een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven door [eiser] niet in de gelegenheid te stellen zich over die bredere grondslag uit te laten. Ik behandel de onderdelen hieronder gezamenlijk. 3.6 De rechter is in overeenstemming met art. 25 Rv verplicht om de […]”

r.o. 3.5

“De rechter is in overeenstemming met art. 25 Rv verplicht om de rechtsgronden aan te vullen. Het is hem niet toegestaan om de door partijen aangedragen feiten aan te vullen (art. 24 Rv). Bij toepassing van art. 25 Rv moet de rechter ervoor waken dat de feitelijke grondslag van de vordering niet wijzigt, omdat dit strijdig is met het verbod van art. 24 Rv. Aan toepassing van art. 25 Rv komt de rechter ook niet toe ingeval moet worden aangenomen dat de eiser zijn vordering uitsluitend beoordeeld wenste te zien op de door hem aangevoerde grond.(4) Zou de rechter toepassing geven aan art. 25 Rv, dan treedt hij buiten de grenzen van de rechtsstrijd. 3.7 Over de grondslag van de vordering hebben partijen in feitelijke instanties veel aangevoerd. PWS heeft haar vordering gebaseerd op art. 7:661 BW.(5),(6) Namens [eiser] is telkenmale aangevoerd dat PWS haar vordering ook uitsluitend op dat artikel heeft gebaseerd.(7) De kantonrechter heeft hieromtrent geoordeeld: "4.1.3. PWS heeft haar vordering bewust gebaseerd op artikel 7:661 BW, zodat zij er kennelijk van uitgaat dat de schade is toegebracht 'bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst'. Daarom zal de kantonrechter hier ook van uitgaan en artikel 7:661 BW van toepassing achten. 4.1.4 Overigens staat het kwalificeren van de grondslag van de vordering tot schadevergoeding door PWS niet aan toewijzing ervan op een andere grondslag in de weg, gelet op artikel 25 Rv, mits in dit geval geen verdergaande aansprakelijkheid wordt […]”

r.o. 3.6

“Over de grondslag van de vordering hebben partijen in feitelijke instanties veel aangevoerd. PWS heeft haar vordering gebaseerd op art. 7:661 BW.(5),(6) Namens [eiser] is telkenmale aangevoerd dat PWS haar vordering ook uitsluitend op dat artikel heeft gebaseerd.(7) De kantonrechter heeft hieromtrent geoordeeld: "4.1.3. PWS heeft haar vordering bewust gebaseerd op artikel 7:661 BW, zodat zij er kennelijk van uitgaat dat de schade is toegebracht 'bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst'. Daarom zal de kantonrechter hier ook van uitgaan en artikel 7:661 BW van toepassing achten. 4.1.4 Overigens staat het kwalificeren van de grondslag van de vordering tot schadevergoeding door PWS niet aan toewijzing ervan op een andere grondslag in de weg, gelet op artikel 25 Rv, mits in dit geval geen verdergaande aansprakelijkheid wordt aangenomen dan op grond van artikel 7:661 BW zou gelden. De vordering zal dus beoordeeld worden aan de hand van de in artikel 7:661 BW genoemde maatstaf." Tegen deze overwegingen zijn in appel geen grieven gericht, zodat het hof aan deze vaststelling gebonden is.(8) Het hof mag de vordering van PWS dus toewijzen op een andere grond dan art. 7:661 BW, maar deze mag geen verdergaande aansprakelijkheid op [eiser] leggen dan art. 7:661 BW doet. Of het hof de rechtsgronden heeft aangevuld en of het daartoe gerechtigd was in verband met de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep komt pas aan de orde op het moment dat het hof tot de conclusie komt dat de […]”

r.o. 3.7

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2011:BP6594
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
8 april 2011
Datum publicatie
8 april 2011
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:9 BW, 7:661 BW, 7:611 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Vereniging, stichting en coöperatie
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 14 van 2011

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.