Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 14 oktober 2011
Tegenstrijdig belang en vertegenwoordigingsbevoegdheid bij statutaire afwijking van artikel 2:256 BW
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Overig Boek 2
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
In deze conclusie voor de Hoge Raad staat artikel 2:256 BW centraal: kan een bestuurder die statutair ook bij tegenstrijdig belang bevoegd is, de vennootschap vertegenwoordigen als hij de algemene vergadering niet tijdig informeert? De A-G meent van wel en vindt het oordeel van het hof over het tegenstrijdig belang en over onbehoorlijk bestuur onvoldoende gemotiveerd. Hij concludeert tot vernietiging.
Kernoverwegingen
“Op grond van art. 2:256 BW is het bestuur onbevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen indien er sprake is van een tegenstrijdig belang. De strekking van art. 2:256 BW is te voorkomen dat een bestuurder zich bij zijn handelen laat leiden door zijn persoonlijk belang in plaats van het belang van de vennootschap dat hij heeft te dienen(4). In het Bruil-arrest heeft de Hoge Raad de maatstaf geformuleerd voor de vraag of sprake is van een tegenstrijdig belang. Het dient daarbij te gaan om zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of een bestuurder zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming. Of sprake is van een tegenstrijdig belang dient te worden beantwoord met in achtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval. Het hof heeft de maatstaf uit het Bruil-arrest ook als uitgangspunt genomen, zo blijkt uit rov. 4.5. Het hof overweegt immers dat aan de hand van alle omstandigheden van het geval beoordeeld moet worden of [eiser 1] een persoonlijk belang had dat tegenstrijdig moet worden geacht met het belang van de vennootschap. Onderdeel 2.1 faalt dan ook. In de rov. 4.6 tot en met 4.8 schetst het hof de feiten waaruit afgeleid kan worden dat [eiser 1] een persoonlijk belang had bij de transacties. Het hof overweegt dat tussen [eiser 1] en de erven [betrokkene 1] als certificaathouders van de aandelen ernstige conflicten waren gerezen, waardoor zijn […]”
r.o. 3.2
“De eerste volzin van art. 2:256 BW bepaalt dat tenzij bij de statuten anders is bepaald, de vennootschap in alle gevallen waarin zij een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders, wordt vertegenwoordigd door commissarissen. Deze bepaling is van regelend recht. De tweede zin van art. 2:256 BW luidt dat de algemene vergadering steeds bevoegd is een of meer andere personen daartoe aan te wijzen. In de zaak Nieuwe Steen(5) heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de reikwijdte van de tweede zin van art. 2:256 BW ten opzichte van de eerste zin van dat artikel. Kort samengevat komt dat oordeel erop neer dat een statutaire bepaling dat de bestuurder bij een tegenstrijdig belang bevoegd blijft, niet aan de algemene vergadering haar aanwijzingsbevoegdheid kan ontnemen en op het bestuur de plicht rust om de algemene vergadering zo tijdig te informeren over de aanwezigheid van een tegenstrijdig belang, dat deze in de gelegenheid is haar bevoegdheid uit te oefenen. Indien de algemene vergadering haar bevoegdheid om een andere vertegenwoordiger aan te wijzen niet uitoefent, blijft degene die krachtens de statutaire bepaling in geval van een tegenstrijdig belang bevoegd is, bevoegd. In de onderhavige zaak hebben M.E. Beheer en Embo ook de eerste zin van art. 2:256 BW 'weggeschreven'. Art. 13 lid 1 van de statuten van M.E. Beheer(6) bepaalt: "Ieder lid van de raad van bestuur vertegenwoordigt de vennootschap, ook in het geval dat de vennootschap een tegenstrijdig belang heeft […]”
r.o. 3.4
“Ondanks hetgeen ik bij behandeling van middelonderdeel 2 over de al dan niet aanwezigheid van tegenstrijdig belang heb opgemerkt, veronderstel ik voor de behandeling van middelonderdeel 4 dat [eiser 1] een tegenstrijdig belang had en de algemene vergadering van aandeelhouders niet heeft geïnformeerd over het eigen belang dat hij had bij de verkoop van dochtervennootschappen van M.E. Beheer(15). Hiermee heeft [eiser 1] de tweede zin van art. 2:256 BW geschonden. Het schenden van de informatieplicht heeft in beginsel slechts interne gevolgen. Het gevolg hiervan kan zijn dat de bestuurder aansprakelijk is jegens de vennootschap. In het [...]/NOM-arrest(16) heeft de Hoge Raad beslist dat indien is gehandeld in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, dit in beginsel aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover de vennootschap met zich meebrengt. Ook art. 2:256 BW strekt ter bescherming van het belang van de vennootschap. Handelen in strijd met deze wettelijke bepaling levert m.i. dan ook in beginsel een ernstig verwijt op. Bij de uiteindelijke beoordeling van de aansprakelijkheid van de bestuurder dienen alle omstandigheden van het geval mee te wegen. Zoals onderdeel 4.1 terecht opmerkt, brengt het niet tijdig informeren van de algemene vergadering van aandeelhouders over het bestaan van een tegenstrijdig belang niet zonder meer onbehoorlijk bestuur of wanprestatie mee. Rov. 9.2 geeft m.i. geen blijk van een afweging waarbij alle […]”
r.o. 3.8