Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 2 december 2016
Artikel 2:248 BW: kennelijk onbehoorlijke taakvervulling bij fietsverzekeringen via Antilliaanse verzekeraar
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een curator spreekt de bestuurder van een failliete vennootschap aan op grond van artikel 2:248 BW wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. De vennootschap verkocht verzekeringen die waren ondergebracht bij een verzekeraar die geen schades meer uitkeerde. De A-G acht het oordeel van het hof dat sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling juist, omdat het samenstel van omstandigheden het oordeel draagt, en concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Van aansprakelijkheid kan slechts sprake zijn wanneer het bestuur zijn taak ‘kennelijk’ onbehoorlijk heeft vervuld. In de kwalificatie ‘kennelijk’ ligt besloten dat het onbehoorlijke karakter van het handelen buiten kijf moet staan; is dat niet het geval dan verdient het bestuur het voordeel van de twijfel. Uw Raad neemt als uitgangspunt dat van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 lid 1 BW slechts kan worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus gehandeld zou hebben.”
r.o. 4.4
“Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur dient de rechter te oordelen op grond van de totaliteit en de samenhang van de aan hem voorgelegde omstandigheden.”
r.o. 4.8
“[eiser] heeft inderdaad geen belang bij behandeling van de onderdelen 1 en 3. Zij kunnen daarom niet tot cassatie leiden. Het feitelijk leidinggeven aan WIC en het feit dat sprake was van een constructie die niet voldeed aan de voorwaarden van het Nederlandse verzekeringstoezicht zijn omstandigheden die het oordeel van hof dat [eiser] zijn taak als bestuurder van IBAS kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld benadrukken, maar niet mede dragen. Het hof geeft uitdrukkelijk aan dat het alleen de handelingen die [eiser] als bestuurder van IBAS heeft verricht, laat meewegen bij het oordeel dat [eiser] als bestuurder van IBAS zijn taken onbehoorlijk heeft vervuld. Het hof merkt daarbij in rov. 4.14 op dat “partijen en de rechtbank zich vooral hebben gericht op WIC, terwijl het met name gaat om de vraag of sprake is van kennelijk onbehoorlijk[e] taakvervulling door [eiser] als bestuurder van Ibas”. Uit de bewoordingen van rov. 4.14 valt daarom af te leiden dat het hof inderdaad slechts ten overvloede aandacht heeft besteed aan [eisers] betrokkenheid bij WIC, dat bovendien niet aan de eisen van het Nederlandse toezicht voldeed, zodat [eiser] geen belang heeft bij bespreking van de in onderdelen 1 en 3 hiertegen gerichte klachten.”
r.o. 5.8