← Week 48

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 2 december 2016

Bestuurdersaansprakelijkheid moedervennootschap voor lege projectvennootschap na onterechte ontbinding koopovereenkomst

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een lege projectvennootschap ontbond ten onrechte een koopovereenkomst voor kantoorruimte; de verkoper sprak ook de bestuurder (de moedervennootschap) persoonlijk aan uit onrechtmatige daad. Het hof nam een ernstig persoonlijk verwijt aan omdat de bestuurder de vennootschap niet van middelen voorzag. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep: beslissend zijn de voorzienbare gevolgen van een ongerechtvaardigde ontbinding voor een vennootschap die van haar bestuurder afhankelijk is. Ook de schadebegroting naar analogie van artikel 7:36 BW houdt stand.

Kernoverwegingen

“Over de maatstaf voor deze bestuurdersaansprakelijkheid overwoog HR 5 september 2014:

“3.5.2 Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen (vgl. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21).””

r.o. 2.4.1

“Het hof heeft de vraag beantwoord of Hanzevast als bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt treft zonder het onderhavige geval uitdrukkelijk in de typologie van het arrest Ontvanger/Roelofsen te passen. In die typologie gaat het m.i. om een geval waarin de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Ter zake van het sluiten van de overeenkomst als zodanig wordt de bestuurder door het hof geen verwijt gemaakt. Het door het hof aan Hanzevast verweten handelen ziet op de periode na het sluiten van de overeenkomst. Hierop wijzen Hanzevast c.s. terecht (repliek nrs. 5-6). Dat geval omvat, maar is niet beperkt tot, de situatie dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. Hanzevast c.s. bepleiten met een beroep op de rechtszekerheid overigens om zoveel mogelijk weg te blijven van deze onbepaalde ‘andere omstandigheden‘ (s.t. nrs. 2.13-2.14). Ik denk dat dit voor de beoordeling van het onderhavige geval niet het springende punt is.”

r.o. 2.7.2

“Inderdaad kan de bestuurder niet aansprakelijk worden gehouden, reeds omdat de vennootschap als contractspartij ‘op eigen risico’ de overeenkomst ontbindt. Anders dan het middel met een referte aan de zaak Air Holland betoogt, is het echter niet zo dat de beoordeling van het ‘ernstig verwijt’ noodzakelijkerwijs scharniert om de achteraf verkeerd uitgevallen beslissing om te gaan ontbinden. Die benadering miskent naar mijn mening het belang van de omstandigheid dat de overeenkomst is gesloten en ontbonden door een projectvennootschap die, naar voor de contractspartijen en de bestuurder bekend is, zelf geen middelen heeft en voor haar financiering afhankelijk is van de tussenkomst van haar bestuurder/moedervennootschap. Het hof benadrukt daarom de verantwoordelijkheid van Hanzevast om te zorgen voor de benodigde middelen. Daarbij heeft het hof niet miskend dat die verantwoordelijkheid ziet op middelen om de koopsom te voldoen. Het hof heeft echter geoordeeld dat de verantwoordelijkheid van Hanzevast jegens G4 niet beperkt is tot de verplichting om de koopsom c.a. te (laten) financieren. Hanzevast heeft naar het oordeel van het hof in de omstandigheden van dit geval óók een verplichting jegens G4 om haar niet achter te laten met een − per definitie − onverhaalbare vordering op de ‘lege’ projectvennootschap wanneer Hanzevast III door een ongegronde ontbinding niet nakomt, haar verzuim niet zuivert en daarom schadevergoeding te belope van het positief contractsbelang moet […]”

r.o. 2.8.1

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2016:1237
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
2 december 2016
Datum publicatie
24 maart 2017
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 2:9 BW, 6:74 BW, 7:36 BW, 6:97 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 48 van 2016

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.