Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 23 december 2016
Tegenstrijdig belang bij concernfinanciering en hoofdelijke verbondenheid dochtervennootschappen; conclusie A-G
- Overig Boek 2
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een renvooiprocedure over een vordering van ruim 2,5 miljoen euro in het faillissement van een dochtervennootschap speelt de vraag of de dochters bij een concernfinanciering onbevoegd waren vertegenwoordigd wegens tegenstrijdig belang (artikel 2:256 BW oud). De A-G meent dat het hof het verweer over tegenstrijdig belang bij de indirect bestuurder niet kenbaar heeft behandeld of onvoldoende heeft gemotiveerd. De overige klachten, onder meer over de uitleg van de overeenkomst, falen. De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
Kernoverwegingen
“De stellingen van de curator in de hierboven geciteerde passages komen er in de kern op neer dat de (klein)dochter(s) van [BH [A]] bij het aangaan van de overeenkomst van 13 januari 2003 niet alleen onbevoegd zijn vertegenwoordigd wegens tegenstrijdig belang met (indirect) bestuurder [BH [A]] (zoals reeds aangevoerd in eerste aanleg, CvA nr. 31 e.v, CvD nr. 45 e.v.) maar ook wegens tegenstrijdig belang met indirect bestuurder [betrokkene 1] . In dat kader heeft de curator aangevoerd, samengevat, dat [betrokkene 1] indirect een economisch belang had in [verweerster] (omdat hij via [B] B.V. 50% van de aandelen in [verweerster] houdt), maar geen economisch belang had in de (klein)dochter(s) van [BH [A]] . Hierdoor had [betrokkene 1] volgens de curator een eigen belang om een (hoofdelijke) schuld/aansprakelijkheid in het leven te roepen ten behoeve van [verweerster] en ten laste van de (klein)dochter(s) van [BH [A]] , welk persoonlijk belang van [betrokkene 1] tegenstrijdig was met het belang van de (klein)dochter(s) van [BH [A]] in de zin van artikel 2:256 BW (oud). Aldus beschouwd, kan voornoemd verweer van de curator gekwalificeerd worden als een essentieel verweer in het partijdebat omtrent de vraag of er sprake is van gebondenheid van de (klein)dochter(s) van [BH [A]] aan de overeenkomst van 13 januari 2003.”
r.o. 2.6
“Uit het arrest – in het bijzonder de samenvatting door het hof van het standpunt van de curator in rov. 5.15 en de 2e volzin van rov. 5.16 – blijkt dat het hof heeft onderzocht of [BH [A]] als (indirect) bestuurder van de (klein)dochter(s) van [BH [A]] bij het aangaan van de overeenkomst van 13 januari 2003 heeft gehandeld met een tegenstrijdig belang (en vervolgens tot het oordeel is gekomen dat daarvan geen sprake is). Uit deze overwegingen volgt niet althans niet voldoende kenbaar of het hof, daarnaast, het verweer van de curator ten aanzien van de onbevoegde (indirecte) vertegenwoordiging door (uiteindelijk) [betrokkene 1] in zijn oordeel heeft betrokken. Indien het hof dit verweer, al dan niet in rov. 5.16 voorlaatste volzin (“Naast het (…) moeten onthouden.”), heeft verworpen, is dat in het licht van de stellingen van de curator ontoereikend gemotiveerd.”
r.o. 2.7
“Gelet op het voorgaande is een deel van de klachten van subonderdeel 1.1 naar mijn mening terecht voorgesteld. In het geding na verwijzing zal alsnog moeten worden geoordeeld over het verweer van de curator dat de (klein)dochter(s) van [BH [A]] bij het aangaan van de overeenkomst van 13 januari 2003 wegens tegenstrijdig belang met dat van hun indirect bestuurder [betrokkene 1] onbevoegd zijn vertegenwoordigd (artikel 2:256 BW (oud)).”
r.o. 2.8