Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 23 december 2016
Enquête: motivering en proportionaliteit onmiddellijke voorziening, benoeming bestuurder (art. 2:349a BW)
- Enquêterecht
- Geschillenregeling
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêteprocedure bepleit de A-G verwerping van het cassatieberoep tegen de beslissing van de OK om als onmiddellijke voorziening een onafhankelijke bestuurder naast de zittende bestuurder te benoemen. Het treffen van een onmiddellijke voorziening is een discretionaire bevoegdheid, waarvoor in beginsel slechts een beperkte motivering nodig is, naarmate de voorziening ingrijpender is wordt de motiveringsplicht zwaarder. Een door de OK benoemde bestuurder is onafhankelijk en moet het vennootschappelijk belang dienen, niet uitsluitend dat van de verzoekende aandeelhouder.
Kernoverwegingen
“Het treffen van een onmiddellijke voorziening in de zin van art. 2:349a lid 2 BW is een discretionaire bevoegdheid van de ondernemingskamer. Over het algemeen geeft een discretionaire bevoegdheid de rechter veel vrijheid om naar eigen inzicht te beslissen welke voorziening hij in het betreffende geval noodzakelijk acht. In welke mate de rechter daadwerkelijk vrij is, zal moeten worden afgeleid uit de betreffende wettelijke bepaling, en dan met name uit haar doel en strekking en de context. Van volledige beslissingsvrijheid is zelden sprake.”
r.o. 3.4
“Naast de hierboven behandelde bezwaren die betrekking hebben op de herstructurering, bestaat ook onduidelijkheid over de grondslag van de remuneratie van [betrokkene 1] . Van een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders, ook vereist op grond van artikel 10.4 van de statuten van DEM, is niet gebleken.”
r.o. 3.12
“Ten slotte lijkt de onder 2.35 vermelde dagvaarding van 6 juli 2015 te hebben geleid tot een met het belang van DEM strijdig onzakelijk hoog bedrag aan juridische kosten.”
r.o. 3.15