Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 18 mei 2018
Afgeleide aandeelhoudersschade, opschorting achtergestelde lening en wettelijke handelsrente na aandelenkoop
- Overig Boek 2
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Fusie en splitsing
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een houdstermaatschappij die alle aandelen in een vennootschap kocht, vroeg om opschorting van haar verplichtingen uit een achtergestelde lening wegens misleiding bij de koop. Het hof wees dit af omdat de schade slechts afgeleide aandeelhoudersschade zou zijn. De A-G concludeert dat dit leerstuk niet van toepassing is, omdat de koper een eigen vordering heeft wegens schending van de garanties jegens haar. Ook de toewijzing van achterstallige rente en de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente houden volgens hem geen stand. Hij concludeert tot vernietiging en verwijzing.
Kernoverwegingen
“Bij de bespreking van subonderdeel 1.2 stel ik het volgende voorop. Met het bestreden oordeel in rov. 2.33 heeft het hof toepassing gegeven aan het leerstuk van afgeleide schade. Dat leerstuk ziet op de situatie waarin een aandeelhouder geconfronteerd wordt met waardevermindering van zijn aandelen in een vennootschap als gevolg van onrechtmatig handelen of wanprestatie van een derde jegens de vennootschap, waardoor het vermogen van de vennootschap wordt geraakt. Omdat de aandeelhouder schade lijdt via het vermogen van de vennootschap, wordt van ‘afgeleide’ schade gesproken. Het is vaste rechtspraak van Uw Raad dat de aandeelhouder in een dergelijk geval in beginsel geen recht heeft op vergoeding van deze schade. De reden daarvoor is, zoals Uw Raad overwoog in het arrest Poot/ABP, dat de vennootschap zelf een aanspraak op schadevergoeding heeft. Als zij deze te gelde maakt, stijgt de waarde van de aandelen weer, zodat de aandeelhouder per saldo geen schade (meer) lijdt. Over de reikwijdte van dit leerstuk is veel gedebatteerd, maar duidelijk is dat de aandeelhouder slechts recht heeft op vergoeding van door hem in deze hoedanigheid geleden schadewanneer de aandeelhouder ageert op basis van een (ook) jegens hem persoonlijk geschonden zorgvuldigheidsnorm. Dat kan aan de orde zijn wanneer een onrechtmatige daad of wanprestatie is gepleegd jegens de vennootschap met als doel de aandeelhouder te benadelen, maar (uiteraard) ook als duidelijk wordt dat ‘rechtstreeks’ onrechtmatig is […]”
r.o. 3.9
“Het onderhavige geval verschilt in meerdere opzichten van de situatie die in het arrest Poot/ABP centraal stond. In het onderhavige geval staat immers vast dat sprake is van een normschending door [verweersters] jegens Licorne Holding: het hof heeft onbestreden geoordeeld dat [verweersters] wanprestatie hebben gepleegd jegens Licorne Holding door de garantiebepalingen uit de Koopovereenkomst te schenden (rov. 2.24.). De schade die Licorne Holding daardoor heeft geleden is dus reeds om die reden niet te kwalificeren als afgeleide schade in de hiervoor (randnummer 3.9) bedoelde zin. Daarbij komt dat de schade die Licorne Holding als aandeelhoudster stelt te hebben geleden ook van een ander type is dan de schade waarvan sprake was in (bijvoorbeeld) het aan Poot/ABP ten grondslag liggende geval. In het onderhavige geval is gesteld dat de schade van Licorne Holding mede ziet op de waardedaling van de aandelen in Licorne Nederland, althans op de betaalde en naar nu blijkt mogelijk te hoge koopprijs. Zo bezien is dus sprake van rechtstreekse of directe schade zoals hiervoor (randnummer 3.9) besproken: de schade van Licorne Holding is niet geleden via het vermogen van Licorne Nederland (doordat de aandelen in die vennootschap minder waard zijn geworden) maar rechtstreeks, doordat voor die aandelen een te hoge koopprijs is betaald. Ten slotte hebben Licorne c.s. gesteld dat de schade van Licorne Holding niet enkel bestaat uit de te hoge koopprijs, maar ook uit reputatieschade van […]”
r.o. 3.10
“Sub-subonderdeel 1.2.2 klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van afgeleide schade, nu de vordering van Licorne Holding voortvloeit uit een schending van een jegens haar geldende rechtsnorm, namelijk de garanties in de Koopovereenkomst. Gelet op hetgeen hiervoor (randnummers 3.9-3.10) is opgemerkt, is die klacht wat mij betreft terecht voorgesteld. Sub-subonderdeel 1.2.2 slaagt dus.”
r.o. 3.12