Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 18 oktober 2019
Concernenquête SNS Reaal en SNS Bank; obligatiehouders als belanghebbenden
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep tegen de beschikking van de OK waarin een enquête naar het beleid en de gang van zaken van een holding en haar bankdochter is bevolen. Enig zelfstandig beleid van de dochter staat een concernenquête niet in de weg; het groepsbegrip van artikel 2:24b BW is beslissend en niet het financieelrechtelijke conglomeraatsbegrip. Ook een stichting voor onteigende obligatiehouders en voormalige obligatiehouders kunnen als belanghebbende in de enquêteprocedure worden aangemerkt volgens de Scheipar-maatstaf.
Kernoverwegingen
“SNS Reaal c.s. hebben zich overigens in het onderdeel niet beroepen op de passage onder 73 van het verweerschrift. Ik heb deze in bovenvermeld citaat opgenomen, omdat ik deze passage ook van belang acht bij de beoordeling van de klacht. De ondernemingskamer heeft het hierboven aangehaalde standpunt van SNS Reaal c.s. samengevat weergegeven in rov. 3.13, tweede gedachtestreepje. Uit de daaropvolgende overwegingen blijkt dat de ondernemingskamer het standpunt van SNS Reaal c.s. dat een concernenquête slechts mogelijk is indien SNS Bank in geen enkel opzicht een zelfstandig bestuursbeleid zou hebben gevoerd, niet deelt. In mijn conclusie in de samenhangende zaak 18/04509 merkte ik bij de behandeling van onderdeel 1 van het cassatieberoep van de Staat en NLFI al op dat dit oordeel niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De ondernemingskamer heeft terecht onderkend dat de omstandigheid dat een groepsmaatschappij enig zelfstandig beleid voert niet verhindert dat een concernenquête ten aanzien van die groepsmaatschappij kan worden gelast. De door SNS Reaal c.s. aangevoerde omstandigheden waaruit volgt dat SNS Bank daadwerkelijk eigen beleid voerde, doen derhalve niet af aan het oordeel van de ondernemingskamer. Dat de ondernemingskamer ook de specifieke door SNS Reaal c.s. aangevoerde omstandigheid dat SNS Bank en Property Finance onderhevig waren aan een ander toezichtrechtelijk regime dan SNS Reaal en beschikten over een eigen bankvergunning in zijn beoordeling heeft […]”
r.o. 3.5
“Ten overvloede maak ik nog een opmerking naar aanleiding van het begrip financieel conglomeraat in de zin van art. 3:290 Wft. Een financieel conglomeraat wordt in art. 1:1 Wft gedefinieerd als bedoeld in art. 2, punt 14, van de richtlijn financiële conglomeraten. In art. 2, punt 14, van deze richtlijn is de volgende definitie opgenomen:
“14. „financieel conglomeraat”: een groep of subgroep, wanneer een gereglementeerde entiteit aan het hoofd van de groep of subgroep staat of waarvan ten minste één van de dochterondernemingen een gereglementeerde entiteit is, en die aan de volgende voorwaarden voldoet: a) wanneer een gereglementeerde entiteit aan het hoofd van de groep of subgroep staat:
i) is deze entiteit een moederonderneming van een entiteit in de financiële sector, een entiteit die houder is van een deelneming in een entiteit in de financiële sector, dan wel een entiteit die met een entiteit in de financiële sector verbonden is door een betrekking als bedoeld in artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG; ii) is ten minste één van de entiteiten in de groep of subgroep een entiteit uit de verzekeringssector en ten minste één van de entiteiten in de groep is een entiteit uit de sector banken of de sector beleggingsdiensten, en iii) zijn de geconsolideerde en/of geaggregeerde activiteiten van de tot de groep of subgroep behorende entiteiten uit de verzekeringssector en van de entiteiten uit de sector banken en de sector beleggingsdiensten significant in de zin van […]”
r.o. 3.6
“De kring van belanghebbenden wordt met de maatstaf uit de Scheipar-beschikking ruimer getrokken dan degenen die ex art. 2:345 lid 2, 2:346 en 2:347 BW bevoegd zijn tot het indienen van een enquêteverzoek. De wet bevat in die bepalingen een limitatief bedoelde opsomming die de enquêtebevoegdheid beperkt tot de advocaat-generaal bij het hof Amsterdam (art. 2:345 lid 2 BW), leden van een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij (art. 2:346 lid 1 onder a BW), aandeelhouders en certificaathouders van een NV of BV (2:346 lid 1 onder b en c BW), de rechtspersoon zelf (art. 2:346 lid 1 onder d en lid 2 BW), degene aan wie bij de statuten of bij overeenkomst met de rechtspersoon de enquêtebevoegdheid is toegekend (art. 2:346 lid 1 onder e BW), de curator (art. 2:346 lid 3 BW) en vakorganisaties (art. 2:347 BW). In de literatuur is de vraag aan de orde gesteld of ook crediteuren van de vennootschap - verschaffers van vreemd vermogen - enquêtebevoegd kunnen zijn. Die bevoegdheid kan door een verschaffer van vreemd vermogen op verschillende manieren worden verkregen: in het kader van een pandrecht op de aandelen, door de bevoegdheid toe te kennen in een kredietovereenkomst met de rechtspersoon, door de advocaat-generaal van het hof Amsterdam tot een dergelijk verzoek in het openbaar belang te bewegen, enz. Hoewel verschaffers van vreemd vermogen zonder meer als stakeholder bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, zijn zij op grond van de wet niet uit […]”
r.o. 3.13