Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 27 maart 2020
Bestuurdersaansprakelijkheid: bestuurder spreekt eigen lening niet aan, ernstig verwijt jegens verhuurder
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een verhuurder sprak de enig bestuurder van de gefailleerde huurder aan voor de onbetaalde huurschuld. Het hof wees de vordering op grond van onrechtmatige daad toe, omdat de bestuurder zijn eigen schuld aan de vennootschap niet had opgeëist toen zij haar huur niet meer kon betalen. De A-G concludeert dat de rechts- en motiveringsklachten falen. Volgens hem past het hof de maatstaf van het ernstig persoonlijk verwijt juist toe en is artikel 2:9 BW niet aan de orde.
Kernoverwegingen
“Ik lees hierin geen zelfstandige klacht, wel een opmaat naar randnummers 3 t/m 8. Zoals uit de behandeling daarvan blijkt, rechtvaardigen (ook) die randnummers niet de conclusie dat het hof de hier toepasselijke ernstigverwijtmaatstaf heeft miskend of zijn beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd. Daarbij wijs ik erop dat het hof, gelet op rov. 3.6 en 3.7, het juiste rechtskader vooropstelt en hanteert voor een geval als het onderhavige, waarin een schuldeiser ( [verweerster] ) van een vennootschap ([B]) is benadeeld door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering en die schuldeiser ter zake een bestuurder van die vennootschap ( [eiser] ) in die hoedanigheid aanspreekt tot schadevergoeding op de voet van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Anders dan [eiser] wellicht meent, is het bepaalde in art. 2:9 BW hier niet (ook) aan de orde: het hof past terecht art. 6:162 BW toe, op basis van het juiste rechtskader en in de juiste rechtsverhouding. Zoals hierna nog aan de orde komt, voor zover relevant, sluit de schets van [eiser] in randnummer 1 ook overigens niet geheel aan op het geldende recht voor een geval als het onderhavige.”
r.o. 3.3
“De klacht faalt. Van onbegrijpelijkheid van het bestreden oordeel van het hof als bedoeld in het randnummer is geen sprake. De betreffende overweging van het hof in rov. 3.7 houdt immers geen verband met een gedragslijn van [eiser] als bedoeld in de slotzin van het randnummer, inhakend op het moment van aangaan van de huurovereenkomst met [verweerster] op 27 oktober 2011, zodat niet ter zake doet of [verweerster] een specifiek op die gedragslijn van [eiser] betrekking hebbende stelling heeft ingenomen. Het persoonlijk ernstige verwijt dat [eiser] in de gegeven omstandigheden volgens het hof in rov. 3.7 te maken valt (aansluitend op het betoog van [verweerster] als weergegeven door het hof in rov. 3.4, waartegen [eiser] verweer heeft gevoerd als weergegeven door het hof in rov. 3.5), betreft een te onderscheiden gevalstype. Dit verwijt ziet op een andere gedragslijn van [eiser] , inhakend op het latere moment “dat [B] niet meer aan haar betalingsverplichtingen, zoals het betalen van de huur in januari 2012 aan [verweerster] , kon voldoen”. Van [eiser] mocht toen, gelet op het feit dat [B] niet meer aan haar betalingsverplichtingen kon voldoen, verwacht worden dat hij als bestuurder ten behoeve van [B] [eiser] in privé zou aanspreken tot terugbetaling en zich zou inspannen tot het incasseren van de vordering die [B] had op [eiser] in privé uit hoofde van de lening. Met het uitblijven van deze inspanningen handelde [eiser] , in de gegeven omstandigheden als uiteengezet in rov. […]”
r.o. 3.9
“De klacht faalt. Ik stel voorop dat het hof in rov. 3.7 wel degelijk (ook) oog heeft gehad voor hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rov. 3.13 als bedoeld in het randnummer, wat meebrengt dat de klacht uitgaat van een verkeerde lezing van rov. 3.7 van het arrest en dus feitelijke grondslag mist. Dit blijkt uit de weergave in rov. 3.5 (tweede zin) van het arrest van het verweer van [eiser] en de overweging in rov. 3.7 dat het hof “in dit verband niet doorslaggevend [acht]” dat “niet kan worden vastgesteld dat het faillissement van [B] niet is veroorzaakt door het opnemen van, dan wel niet terugbetalen van de lening”. Die laatste overweging van het hof, waarmee het (ook responderend op dat verweer van [eiser] ) de vraag naar het al dan niet aanwezig zijn van oorzakelijk verband tussen enerzijds “het faillissement van [B]” en anderzijds “het opnemen van, dan wel niet terugbetalen van de lening” adresseert en als niet doorslaggevend aanmerkt (als toegelicht in rov. 3.7 (voorlaatste zin en laatste zin)), sluit mede aan op rov. 3.13 (tweede zin) van het vonnis, welke overweging de rechtbank zelf relateert aan de direct voorafgaande overweging in rov. 3.13 (eerste zin) die ziet op wat de curator kennelijk niet heeft gedaan en wel heeft opgemerkt. Aldus oordelend, onderkent en ondervangt het hof niet alleen het voornoemde verweer van [eiser] , maar ook hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rov. (3.12 en) 3.13 als bedoeld in het randnummer. Ik voeg daaraan – ten overvloede – toe […]”
r.o. 3.13