Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 27 maart 2020
Bezoldiging bestuurder: Imeko-regel en afzonderlijke functie als vestigingsmanager
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Overig Boek 2
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een N.V. vorderde van haar voormalige statutair directeur terugbetaling van aanvullende vergoedingen voor invalwerkzaamheden in een andere, afzonderlijke functie. De A-G concludeert dat de Imeko-regel, dat de beloning van bestuurders door het wettelijk of statutair aangewezen orgaan moet worden vastgesteld, niet geldt voor een duidelijk van het bestuurderschap afgesplitste functie. Daarvoor gelden de gewone vertegenwoordigingsregels, zodat de medebestuurder bevoegd was. Het beroep op tegenstrijdig belang was onvoldoende geconcretiseerd. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Orthocenter heeft geen bewijs aangeboden van voldoende concrete feiten die, indien bewezen, tot andere beslissingen zouden leiden dan hiervoor genomen.”
r.o. 3.11
“Uit het hiervoor overwogene volgt dat de grieven niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. De vordering van Orthocenter [verweerder] te veroordelen tot terugbetaling van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg is niet toewijsbaar en Orthocenter zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.” In cassatie”
r.o. 3.12
“Het Imeko/ […]-arrest noch overigens een rechtsregel verzet zich ertegen dat met een persoon die ook bestuurder is, met het oog op duidelijk van de bestuurstaak (af)gesplitste werkzaamheden die zich vertalen in een duidelijk van het bestuurderschap te onderscheiden functie een afzonderlijke (arbeids)overeenkomst wordt aangegaan, zoals in de onderhavige zaak. Voor het namens de vennootschap aangaan van een dergelijke afzonderlijke (arbeids)overeenkomst, met inbegrip van de door die persoon te ontvangen vergoeding voor de betreffende werkzaamheden, gelden dan in beginsel de gewone vertegenwoordigingsregels waarbij het bestuur de vennootschap (zoals hier, in geval van een N.V.) op grond van art. 2:130 BW vertegenwoordigt. De vennootschapsrechtelijke regel van art. 2:135 lid 4 BW in verbinding met de statuten van de vennootschap dat de RvC bevoegd is tot vaststelling van de bezoldiging van bestuurders is dan, zoals in de onderhavige zaak, niet van toepassing op het aangaan van deze (arbeids)overeenkomst, ook niet als die persoon tevens bestuurder is. De door een wezenlijk ander geval en andere problematiek ingegeven vennootschapsrechtelijke regel uit rov. 3.4 van het Imeko/ […]-arrest, als bedoeld onder 3.6 en 3.11, doorkruist dit een en ander niet. Het niettemin toepassen van deze vennootschapsrechtelijke regel, aldus dat de RvC hier (ook) bevoegd is tot vaststelling van de vergoeding voor die duidelijk van de bestuurstaak gesplitste werkzaamheden enkel omdat die persoon tevens […]”
r.o. 3.16