← Week 14

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 3 april 2020

Bestuurdersaansprakelijkheid: onrechtmatig, maar geen causaal verband bij overmaking verkoopopbrengst naar privérekening

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een ex-werknemer sprak de bestuurder van zijn voormalige werkgever persoonlijk aan omdat zijn loonvordering onbetaald bleef nadat de bestuurder de verkoopopbrengst van de onderneming deels aan andere partijen liet betalen en deels naar zijn privérekening liet overmaken. Het hof achtte de overmaking naar de privérekening persoonlijk ernstig verwijtbaar, maar wees de vordering af omdat de ex-werknemer ook bij correct handelen niets had ontvangen (geen causaal verband). De advocaat-generaal concludeert dat de cassatieklachten falen.

Kernoverwegingen

“Ik stel voorop dat [eiser] in cassatie geen klacht richt tegen rov. 4.2 van het arrest. Daarin formuleert het hof het beoordelingskader waarvan het zal uitgaan bij de beoordeling van de grieven II, III en V in rov. 4.3-5.1. Onderdeel daarvan is “dat het doen van selectieve betalingen onrechtmatig is indien de voorkeursbehandeling van bepaalde schuldeisers niet kan worden gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden”, wat zich mede laat bezien tegen de achtergrond van het feit dat het ten tijde van de verkoop van de onderneming van [B] “niet goed ging met [B] ” (rov. 4.5).

Een en ander laat zich ook verstaan in het licht van p. 15 (slotalinea) van de dagvaarding, waar [eiser] onder verwijzing naar HR 12 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2669, NJ 1998/727 (kennelijk doelend op rov. 3.4.3) onder meer heeft aangevoerd: “Eiser stelt voorop dat selectieve betaling van schuldeisers door de bestuurder van een rechtspersoon als zodanig niet onrechtmatig is. Aan de bestuurder van een rechtspersoon komt in beginsel de vrijheid toe om bij het doen van betalingen aan schuldeisers naar eigen inzicht afwegingen te maken binnen de kaders van goed ondernemerschap. De bestuurder van een rechtspersoon heeft echter niet onverkort de vrijheid om bepaalde schuldeisers, anders dan op grond van wettelijke regels, met voorrang te voldoen boven andere schuldeisers vanaf het moment dat [de rechtspersoon, A-G] financieel minder gaat en niet over voldoende middelen beschikt om alle schuldeisers te […]”

r.o. 3.3

“Het komt dienstig voor eerst kort uiteen te zetten wat het hof doet in rov. 4.5, voor zover relevant in het kader van het onderdeel. In rov. 4.4 (eerste vijf zinnen) richt het hof zich, als gezegd, op de betaling van € 7.555,65 (het restant van de verkoopopbrengst) aan [verweerder] in privé. Door die betaling te laten verrichten, heeft [verweerder] wel onjuist gehandeld. Aldus heeft hij immers gelden die aan [B] toebehoorden niet gebruikt om schuldeisers te betalen, maar juist onttrokken aan verhaal voor de schuldeisers. Bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigden, waren er niet. Door de gelden niet aan te wenden voor betaling van de schuldeisers van [B] heeft [verweerder] persoonlijk ernstig verwijtbaar gehandeld. Dit is onrechtmatig tegenover de schuldeisers en dus ook tegenover [eiser] , die immers een vordering had op [B] en in beginsel aanspraak had op betaling daarvan. Aldus nog steeds het hof. Zie nr. 3.3. In rov. 4.5 zet het hof uiteen dat hoe dan ook de vordering van [eiser] niet kan worden toegewezen, omdat er geen causaal verband bestaat tussen enerzijds het onrechtmatig handelen van [verweerder] (als vastgesteld in rov. 4.4) en anderzijds de schade van [eiser] : “Als [verweerder] zich correct had gedragen, zou [eiser] immers dezelfde schade hebben geleden.”

- Daartoe stelt het hof voorop dat, om te bepalen of [eiser] schade heeft geleden door de onrechtmatige daad van [verweerder] , moet worden bezien hoe de situatie zou zijn geweest, als [verweerder] niet […]”

r.o. 3.9

“Het subonderdeel faalt. Anders dan [eiser] suggereert, doet de innerlijke tegenstrijdigheid (en daarmee de onbegrijpelijkheid) waarop het subonderdeel leunt zich niet voor. Onderscheid moet hier worden gemaakt tussen:

a) de eerste twee betalingen (aan de makelaar en de drankenleverancier), als behandeld door het hof in rov. 4.3; b) de derde betaling (aan [verweerder] in privé), als behandeld door het hof in rov. 4.4 (eerste vijf zinnen); c) de hypothetische situatie waarin [verweerder] vóór het faillissement van [B] het bedrag van € 7.555,65 als bedoeld onder b) (het restant van de verkoopopbrengst, oftewel “het geld”) zou hebben aangewend voor de betaling van de schulden van [B] , waarop het subonderdeel doelt en als behandeld door het hof in rov. 4.5 (achtste t/m tiende zin).

Alleen ten aanzien van de betalingen onder a) neemt het hof aan dat de voorkeursbehandeling van de betreffende schuldeisers gerechtvaardigd was vanwege de gegeven bijzondere omstandigheden als uiteengezet in rov. 4.3 (laatste drie zinnen), waarover nr. 3.3. Daaruit volgt ook dat en waarom: (i) daarbij de in de voorlaatste zin van het subonderdeel genoemde schuldeisers dus niet eerst “hadden behoren te worden voldaan”; en (ii) de door het hof gehanteerde rechtvaardiging in rov. 4.3 (laatste drie zinnen) dus wel verklarend is voor (i). Ten aanzien van de betaling onder b) en de situatie onder c) neemt het hof in rov. 4.4 respectievelijk rov. 4.5 aan dat dáárbij voor een voorkeursbehandeling van […]”

r.o. 3.12

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:319
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
3 april 2020
Datum publicatie
28 april 2020
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 14 van 2020

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.