Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 27 maart 2020
Faillissement, ontbinding en ophouden te bestaan van rechtspersoon; ontvankelijkheid tegen DNB
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een gefailleerde stichting en haar oprichter stelden de toezichthouder aansprakelijk; het hof verklaarde de stichting niet-ontvankelijk omdat zij na faillissement was ontbonden en had opgehouden te bestaan. De A-G concludeert dat een rechtspersoon bij het uitblijven van een akkoord van rechtswege insolvent wordt, ontbonden wordt (artikel 2:19 lid 1 onder c BW) en ophoudt te bestaan met het verbindend worden van de slotuitdelingslijst (artikel 2:19 lid 6 BW). Rehabilitatie laat een niet meer bestaande rechtspersoon niet herleven. De vorderingen van de oprichter in persoon stranden op onvoldoende onderbouwing van een eigen zorgvuldigheidsnorm.
Kernoverwegingen
“Voor een gefailleerde rechtspersoon zijn er ook nog andere gevolgen. De staat van insolventie brengt met zich dat de gefailleerde rechtspersoon wordt ontbonden, zo volgt uit art. 2:19 lid 1, aanhef en onder c., BW:
“1. Een rechtspersoon wordt ontbonden: (…) c. na faillietverklaring door hetzij opheffing van het faillissement wegens de toestand van de boedel, hetzij door insolventie;” Omdat na de ontbinding in de regel nog een aantal zaken geregeld moet worden (zoals het opzeggen van lopende overeenkomsten of juist het aangaan van overeenkomsten met het oog op liquidatie), bepaalt art. 2:19 lid 5 BW dat de ontbonden rechtspersoon blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van het vermogen nodig is.”
r.o. 3.21
“Met het eindigen van het faillissement houdt de rechtspersoon (die al ontbonden was ingevolge art. 2:19 lid 1, aanhef en onder c., BW; randnummer 3.21) op te bestaan. Dit is bepaald in art. 2:19 lid 6 BW:
“De rechtspersoon houdt in geval van vereffening op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt. De vereffenaar of de faillissementscurator doet aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven, daarvan opgaaf.” De schuldeisers van de rechtspersoon kunnen na het einde van het faillissement – anders dan bij dat van een natuurlijke persoon (art. 195 Fw) – hun vorderingen niet meer innen. De rechtspersoon bestaat immers niet meer.”
r.o. 3.23
“Rehabilitatie heeft geen rechtsgevolgen voor (de afwikkeling van) het faillissement. Het faillissement betreft immers niet de persoon van de schuldenaar, maar zijn vermogen. Rehabilitatie leidt er dan ook niet toe dat een wegens het faillissement niet langer bestaande rechtspersoon, herleeft. Hooguit is het (indirecte) gevolg van rehabilitatie dat de in het faillissement erkende schuldeisers, voor zover zij mogelijk nog wat te vorderen zouden hebben, geen aanspraak meer tegen de schuldenaar geldend kunnen maken, omdat zij naar hun eigen verklaringen naar genoegen zijn voldaan. Wanneer het echter gaat om een rechtspersoon die heeft opgehouden te bestaan, is ook dit rechtsgevolg niet van belang. Schuldeisers kunnen dan immers sowieso hun vorderingen niet meer innen (zie randnummer 3.23).
Tussenbalans”
r.o. 3.34