← Week 13

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 27 maart 2020

Verjaring vordering op in faillissement ontbonden en opgehouden rechtspersoon: verlengingsgrond ex artikel 2:23c lid 2 BW

  • Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

De zaak gaat over een borg die zich beroept op verjaring van de hoofdvordering op een houdstermaatschappij die na faillissement is ontbonden en opgehouden te bestaan. De A-G acht de redenering van het hof op basis van de Faillissementswet onjuist en past in plaats daarvan artikel 2:23c lid 2 BW toe: gedurende het opgehouden zijn te bestaan van de rechtspersoon geldt een verlengingsgrond voor de verjaring. Dat leidt tot dezelfde uitkomst en tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Ik maak nu de stap naar het einde van het faillissement, waarop art. 36 Fw doelt. Art. 193 lid 1 Fw bepaalt dat zodra aan de geverifieerde schuldeisers het volle bedrag van hun vorderingen is uitgekeerd, of zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden (zie art. 187 lid 4 Fw), het faillissement van rechtswege een einde neemt, behoudens de bepaling van art. 194 Fw (waarover nrs. 3.31-3.32). Door de curator geschiedt daarvan aankondiging op de wijze bij art. 14 Fw bepaald. Het faillissement eindigt daarmee “aan het einde van de rit”, als “[a]lle schuldeisers volledig [zijn] voldaan of alle baten zijn gerealiseerd en de opbrengst is uitgedeeld aan alle schuldeisers”. In het geval van die tweede beëindigingsgrond drukt de Hoge Raad het wel zo uit, dat eerst als alle beschikbare baten zijn vereffend de slotuitdeling van art. 193 lid 1 Fw kan plaatsvinden, waardoor het faillissement eindigt; de vaststelling van een slotuitdelingslijst heeft in het stelsel van de Faillissementswet de betekenis dat de curator daarmee te kennen geeft dat de gehele boedel is vereffend, en dat er dus geen grond meer is voor het voortduren van het faillissement.

Daaruit volgt ook onder meer dat dit een en ander verklaart waarom in art. 194 Fw wordt gesproken van het geval dat blijkt dat nog baten van de boedel aanwezig zijn die “ten tijde der vereffening niet bekend waren” (“Alle bekende baten dienen immers in de verdeling te worden betrokken”) en dat de curator de mogelijkheid heeft af te zien […]”

r.o. 3.29

“Trekken we deze lijn door, dan is de consequentie van toepassing van art. 194 Fw kort gezegd niet dat de schuldenaar opnieuw in staat van faillissement wordt gebracht, maar ‘slechts’ dat de curator eerst na bevel daartoe van de rechtbank overgaat tot vereffening van de nagekomen bate (d.w.z. een bepaald vermogensbestanddeel) en verdeling daarvan en wel onder de ‘oude’ schuldeisers op basis van de bestaande uitdelingslijst(en), nu zich eerst dan manifesteert dat het faillissementsbeslag is blijven rusten op deze bate en het faillissement ten aanzien van deze bate dus niet is opgehouden te bestaan. Art. 36 Fw laat zich daarmee m.i. aldus in verband brengen, dat bínnen het specifieke kader van zo’n eenmaal op de voet van art. 194 Fw heropende vereffening (zó daarvan sprake is) ten aanzien van zo’n specifieke nagekomen bate kwesties van verjaring geen rol spelen bij de verdeling van deze bate door de curator onder de betreffende schuldeisers. In zoverre – maar dan ook slechts in zoverre – is immers nog sprake van voortzetting van “het faillissement”, waarop (de verlengingsgrond van) art. 36 Fw aansluit en hier in zoverre ‘nawerkt’, en waarop de betreffende schuldeisers zich dan kunnen beroepen. Zie nr. 3.28. Voor het overige, dus los van zo’n eventuele toepassing van art. 194 Fw, is art. 36 Fw dan ‘uitgewerkt’ zes maanden na dat verbindend worden van de slotuitdelingslijst als bedoeld in art. 193 lid 1 Fw (daar is immers geen sprake van voortzetting van “het faillissement”) en […]”

r.o. 3.32

“Tegen deze achtergrond bezie ik het onderdeel. Ik heb moeite met de benadering van het hof in rov. 7.4.3-7.4.7 eindarrest. Dit schuilt niet in het streven van het hof de ‘ongelijke behandeling van schuldeisers’ als bedoeld in rov. 7.4.6 eindarrest tegen te gaan, evident geïnspireerd door het […] /Rabobank-arrest van de Hoge Raad als geciteerd in rov. 7.4 eindarrest. Ook ik zie geen goede grond om met betrekking tot (mogelijke) verjaring van rechtsvorderingen van schuldeisers van een gefailleerde rechtspersoon in het tijdvak dat die rechtspersoon na het einde van het faillissement is opgehouden te bestaan wezenlijk onderscheid te maken al naar gelang het hoofdgevalstype:

a) dat het faillissement van de rechtspersoon is opgeheven op de voet van art. 16 Fw wegens gebrek aan baten (en er dus geen vereffening in faillissement heeft plaatsgevonden op basis van de Vijfde afdeling A van de Faillissementswet dan wel de Zevende (en Vijfde) afdeling van de Faillissementswet), waarna de rechtspersoon is opgehouden te bestaan op de voet van art. 2:19 lid 1 onder c BW (ontbinding op basis van de eerste grond) in verbinding met art. 2:19 lid 4 BW (ophouden te bestaan ten tijde van ontbinding, omdat de rechtspersoon op dat moment geen baten meer heeft); dan wel b) dat het faillissement van de rechtspersoon is afgewikkeld op basis van de Vijfde afdeling A van de Faillissementswet dan wel de Zevende (en Vijfde) afdeling van de Faillissementswet (en er dus wel dienovereenkomstig vereffening […]”

r.o. 3.33

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:391
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
27 maart 2020
Datum publicatie
21 april 2020
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:19 BW, 2:23a BW, 2:23c BW, 3:320 BW, 7:853 BW, 1:88 BW
Thema
Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
Weekoverzicht
Week 13 van 2020

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.