← Week 19

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 8 mei 2020

Toerekening van kennis aan koper-BV en afwijzing interne bestuurdersaansprakelijkheid na aandelentransactie

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Curatoren en een aandeelhoudende vennootschap vorderen aantasting van een aandelentransactie en een verklaring voor recht dat de (indirect) bestuurders een persoonlijk ernstig verwijt treft. De A-G bespreekt de toerekening van kennis van bestuurders aan de vennootschap, waarbij geen vaste hoofdregel geldt maar de verkeersopvattingen en alle omstandigheden beslissend zijn. Hij concludeert dat de afwijzing van de interne bestuurdersaansprakelijkheid wegens onvoldoende stelplicht stand kan houden en dat het arrest in stand kan blijven.

Kernoverwegingen

“Ik stel bij de beoordeling van het onderdeel het volgende voorop. Tot uitgangspunt dient dat het onderdeel niet bestrijdt de overweging van het hof dat uit de stellingen van de curatoren en [eiseres 3] volgt dat [verweerder 5] en [verweerder 7] op de hoogte waren van de gestelde manipulaties en malversaties (rov. 4.15, eerste zin), maar opkomt tegen het oordeel van het hof dat die kennis van [verweerder 5] en [verweerder 7] , bestuurders van [A] , aan [A] dient te worden toegerekend. In algemene zin geldt dat toerekening van kennis aan een rechtspersoon geen eenduidig leerstuk is, in die zin dat daarvoor steeds dezelfde criteria gelden, ongeacht de feitelijke en juridische context waarin de toerekeningsvraag zich voordoet. Ook waar het - zoals dus in het onderhavige geval - gaat om bepaalde kennis van een bepaalde persoon die als functionaris deel uitmaakt van (de organisatie van) de rechtspersoon in kwestie, geldt dat daarbij “geen hard and fast rules“ mogelijk zijn, zelfs niet “wanneer het de bestuurder is die de kennis draagt.” Dit strookt met het sterk contextuele, multi-factor karakter van de door de Hoge Raad in dat verband wel aangelegde maatstaf dat beoordeeld dient te worden of in het concrete geval de betreffende kennis van de betreffende persoon ‘in het maatschappelijk verkeer’ heeft te gelden als kennis (ook) van de betreffende rechtspersoon. In de literatuur wordt dit wel geduid als een verschijningsvorm van de verkeersopvattingen: een open norm, waarvan in […]”

r.o. 3.5

“Dan keer ik nu terug naar het onderdeel, dat vastloopt op het volgende. De rechtsklacht faalt, omdat deze uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan het onderdeel klaarblijkelijk voorstaat, bestaat er naar huidig recht geen “hoofdregel” die inhoudt “dat kennis van een functionaris van de rechtspersoon aan de rechtspersoon moet worden toegerekend”, noch een harde “uitzondering” daarop aldus dat toerekening niet plaatsvindt (een “uitzondering moet worden gemaakt”) wanneer “de functionaris van de rechtspersoon als wederpartij van de rechtspersoon optreedt, hij in dat kader informatie voor de rechtspersoon heeft achtergehouden, en de rechtspersoon, zou hij deze kennis wel hebben gehad, die overeenkomst mogelijk niet of onder andere - voor de rechtspersoon betere - voorwaarden zou zijn aangegaan”. De daadwerkelijk juiste maatstaf om te bepalen of in het concrete geval bepaalde kennis van een bepaalde persoon die functionaris is van de rechtspersoon in kwestie te gelden heeft (ook) als kennis van de rechtspersoon, luidt of die kennis ‘in het maatschappelijk verkeer’ als zodanig te gelden heeft, wat afhankelijk is van alle omstandigheden van dat geval. Zie nr. 3.5. In dit soort gevallen is een smalle, op het specifieke geval toegespitste motivering vereist, waarbij het vanwege de (potentiële) veelheid en diversiteit van de in aanmerking te nemen omstandigheden niet nuttig is om te werken met regels als bedoeld in het onderdeel, die ertoe kunnen leiden dat relevante […]”

r.o. 3.6

“Gemakshalve herhaal ik hier dat het hof in rov. 4.47, vierde zin overweegt dat voor zover de curatoren bedoeld hebben aan de op interne bestuurdersaansprakelijkheid gebaseerde vordering tot een verklaring voor recht ten grondslag te leggen dat er te hoge dividenduitkeringen zijn gedaan, dit afstuit op hetgeen daarover reeds bij de beoordeling van de vorderingen onder II.a. en II.b. is overwogen. Zoals gezegd, doelt het hof daarmee op rov. 4.32. Deze rechtsoverweging ziet op (de afwijzing van) de vordering van de curatoren onder II.b. (rov. 4.29) om, voor zover het hof van oordeel is dat de vermeende aandeelhoudersbesluiten van 1 december 2008, 15 mei 2009, 6 augustus 2009 en 7 augustus 2009 niet nietig zijn (zoals gevorderd onder II.a), voor recht te verklaren dat de dividenduitkeringen en onttrekkingen die daarop zijn gebaseerd, “onrechtmatig zijn tegenover de curatoren, dan wel dat er in strijd is gehandeld met het bepaalde in artikel 2:216 lid 2 BW en [verweerders 1, 2 en 3] en [verweerders 4, 5, 6 en 7] op deze voet hoofdelijk verbonden zijn voor een bedrag van € 1.387.400 (…), althans het (faillissements)tekort, vermeerderd met de wettelijke rente.” Hieruit blijkt dat in rov. 4.32 alleen ter beoordeling voorlag een beroep van de curatoren op (i) een onrechtmatige daad van [verweerders 1, 2 en 3] en [verweerders 4, 5, 6 en 7] “tegenover de curatoren” en (ii) schending van “het bepaalde in artikel 2:216 lid 2 BW.” Daarbij geldt dat die vorderingen niet zijn gebaseerd op […]”

r.o. 3.66

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:449
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
8 mei 2020
Datum publicatie
5 juni 2020
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
2:9 BW, 2:11 BW, 2:216 BW, 2:203 BW, 2:14 BW, 2:248 BW, 6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Overig Boek 2
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 19 van 2020

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.