Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 9 oktober 2020
Maatschap als partij bij meerpartijenovereenkomst; tekortkoming en ongedaanmaking; ondeelbare rechtsverhouding maten
- Personenvennootschappen
- Boek 2 BW
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een investeerder ontbond een meerpartijenovereenkomst met een maatschap, haar maten en betrokken vennootschappen en vorderde terugbetaling van een voorschot en schadevergoeding. De A-G concludeert dat de maatschap als contractspartij tekortschoot omdat ook de redelijkheid en billijkheid haar verplichtingen bepaalt. De ongedaanmakingsverbintenis rust niet op de maatschap, omdat zij het voorschot niet ontving. Het beroep tegen mede-geïntimeerde maten is niet-ontvankelijk, omdat geen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.
Kernoverwegingen
“Rov. 3.56-3.3.59 betreffen de vraag of sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid. Het hof komt tot het oordeel dat de Maatschap, [D] en [A] ingevolge art. 6:102 BW in samenhang met art. 6:6 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van Sevilla (rov. 3.57). De maten zijn volgens het hof gezien art. 7A:1680 BW niet hoofdelijk, maar voor gelijke delen aansprakelijk voor de schuld van de Maatschap (rov. 3.58). Ongedaanmakingsverbintenis 1.34 Vervolgens gaat het hof in op de grief van Sevilla tegen het oordeel van de rechtbank dat alleen op [C] een ongedaanmakingsverplichting rust. Volgens Sevilla zijn alle geïntimeerden gehouden tot ongedaanmaking van de betaling van het bedrag van USD 500.000. Sevilla heeft zich subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking beroepen. Meer subsidiair heeft Sevilla gesteld dat de Maatschap onrechtmatig heeft gehandeld door enerzijds aan te sturen op de betaling van USD 500.000 en anderzijds wanprestatie te bewerkstelligen althans daarvan te profiteren (rov. 3.60). Het hof heeft dit betoog in rov. 3.61-3.63 verworpen op de volgende gronden: “3.61 Het hof oordeelt als volgt. Als gevolg van de ontbinding is voor partijen, op grond van artikel 6:271 BW, een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties ontstaan. In principe is de ontvanger verplicht tot teruggave van de ontvangen prestatie. Niet in geschil is dat Sevilla de betaling van USD 500.000 aan [B] heeft gedaan. Gelet daarop kunnen [D] , [A] en de Maatschap […]”
r.o. 1.33
“In onze zaak gaat het om een vordering tot betaling van schadevergoeding die is ingesteld tegen een maatschap en alle maten. Een geldvordering tegen meer partijen levert op zichzelf geen ondeelbare rechtsverhouding op. Volgens mij wijzen twee uitspraken van Uw Raad erop dat een geldvordering tegen een maatschap en haar maten ook niet als ondeelbare rechtsverhouding kwalificeert. Uw Raad overwoog in Biek Holdings dat uit het feit dat met een maatschap is gecontracteerd niet volgt dat voor een schadevergoedingsvergoeding wegens beroepsfouten de maatschap in rechte moet worden betrokken. Biek kon er volgens Uw Raad ook voor kiezen (mede) de individuele maten (als maat of uit anderen hoofde) persoonlijk aan te spreken. Als sprake zou zijn van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, dan had de vordering moeten worden ingesteld tegen de maatschap en alle maten tezamen. In 2015 lag bij Uw Raad een zaak voor waarin een maatschap en twee van de drie maten hoger beroep hadden ingesteld tegen een vonnis waarbij de maatschap en haar drie maten hoofdelijk waren veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. Uitgemaakt werd dat de veroordeling ten opzichte van de niet-appellerende maat kracht van gewijsde heeft, maar dat de andere hoofdelijk veroordeelde schuldenaren de vordering in hun eigen relatie tot de schuldeiser in appel mochten bestrijden. Als sprake zou zijn van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, dan had ook de niet-appellerende maat in dit hoger beroep moeten […]”
r.o. 2.6
“Ik meen daarom dat in onze zaak geen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Dit betekent dat hier de hoofdregel geldt dat een rechtsmiddel alleen kan worden ingesteld tegen een wederpartij uit de vorige instantie en niet tegen processuele medestanders. De Maatschap c.s. kon dus geen cassatieberoep instellen tegen [verweerster 2] en Jewel, die in hoger beroep mede-geïntimeerden waren.”
r.o. 2.7