Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 28 mei 2021
Bestuurdersaansprakelijkheid pensioenpremies: melding betalingsonmacht en verval na overgang onderneming
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een bedrijfstakpensioenfonds stelde de voormalig bestuurder van een aangesloten vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor een premieachterstand op grond van artikel 23 Wet Bpf 2000. Het hof wees de vordering af. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep: de meldingsplicht is niet geschonden, mede omdat wetenschap van betalingsonmacht bij het fonds een melding overbodig kan maken. Het oordeel dat de aansprakelijkheid van de bestuurder accessoir is aan die van de vennootschap acht hij onjuist, maar dat leidt niet tot cassatie.
Kernoverwegingen
“Zoals gezegd (zie onder 3.2 hiervoor), volgt uit art. 23 lid 2 Wet Bpf 2000, kort gezegd: dat, als het lichaam zoals bedoeld in art. 23 lid 1 Wet Bpf 2000 niet in staat is tot betaling van de verschuldigde bijdragen ter zake van deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds, het gehouden is onverwijld nadat dit gebleken is daarvan mededeling te doen aan het pensioenfonds en, indien het pensioenfonds dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen; dat elke bestuurder bevoegd is om namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen; en dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van deze melding, de aard en de inhoud van de te verstrekken inlichtingen en de over te leggen stukken alsmede de termijnen waarbinnen het doen van deze melding (“mededeling”), het verstrekken van de inlichtingen en het overleggen van de stukken dienen te geschieden, waaraan uitvoering is gegeven met het Besluit. Art. 2 Besluit (inzake “De mededeling”) bepaalt het volgende:
“1. De mededeling, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet wordt schriftelijk gedaan uiterlijk veertien kalenderdagen na de dag waarop op grond van de regeling omtrent de betaling van de premies, bedoeld in artikel 26 van de Pensioenwet, dan wel op grond van de statuten en reglementen van het bedrijfstakpensioenfonds de bijdrage behoorde te zijn voldaan.2. De mededeling ter zake van een bijdrage, die is vastgesteld vanwege de […]”
r.o. 3.5
“Ik voeg hieraan het volgende toe.In de Nota van toelichting op het Besluit is onder meer opgemerkt: “1. Inleiding
In artikel 23 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000) is een regeling opgenomen die er toe strekt het misbruik dat van rechtspersonen kan worden gemaakt te bestrijden. Deze regeling is een inhoudelijke voorzetting van artikel 18b van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds. De regeling voorziet erin dat ingeval een rechtspersoon de aan het bedrijfstakpensioenfonds verschuldigde bijdragen niet betaalt een bestuurder in zijn privé vermogen aansprakelijk kan worden gesteld indien het niet betalen te wijten is aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van die bestuurder.
Onderdeel van de regeling is de zogenoemde meldingsplicht. Deze dwingt de bestuurder van het lichaam tot actie wanneer het lichaam in betalingsmoeilijkheden komt te verkeren. De regeling beoogt te bewerkstelligen dat het bedrijfstakpensioenfonds op een vroegtijdig tijdstip op de hoogte geraakt van de moeilijkheden waarin het lichaam zich bevindt. Het bedrijfstakpensioenfonds kan zich dan, mede op grond van de overlegde gegevens en de verkregen inlichtingen, beraden op de opstelling dat het ten aanzien van het lichaam zal voeren. (…)
2. De inhoud van de meldingsregeling
Bij de meldingsregeling is er sprake van een gefaseerde melding van de betalingsonmacht. In de eerste fase hoeft de rechtspersoon slechts schriftelijk mededeling […]”
r.o. 3.6
“Met inachtneming van 3.5-3.6 hiervoor keer ik nu terug naar het subonderdeel, te beginnen met de rechtsklacht onder 22-25.In rov. 12.1-12.2 van het arrest komt het hof tot het oordeel dat, gelet op de verkort weergegeven gang van zaken waaruit volgt dat PFZW in de desbetreffende periode - die ligt voor het aantreden van [verweerder] als bestuurder van [A] B.V. - via de toenmalige bestuurder van [A] B.V. en in het kader van mondeling overleg over een betalingsregeling, die ook is getroffen, vanwege hetgeen daarbij expliciet aan de orde is gekomen zijdens [A] B.V. in ieder geval geweten moet hebben dat en op hoofdlijnen waarom [A] B.V. een ernstig betalingsprobleem had waardoor zij niet in staat was tot betaling van met de factuur van 28 maart 2008 verband houdende bijdragen (zie rov. 12.1), ervan uitgegaan moet worden dat PFZW eind mei 2008 op de hoogte is geraakt van de betalingsonmacht van [A] B.V. en nadien geen melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Bpf 2000 behoefde te worden gedaan zolang nog sprake was van een betalingsachterstand, tenzij PFZW na ontvangst van een betaling schriftelijk zou hebben doen weten betalingsonmacht niet langer aanwezig te achten (zie rov. 12.2). Daarmee zit het hof op het spoor dat PFZW aldus eind mei 2008 op de hoogte is geraakt van de betalingsonmacht van [A] B.V. door een melding (“mededeling”) van betalingsonmacht via die toenmalige bestuurder bij PFZW in de zin van art. 23 lid 2 Wet Bpf 2000 in […]”
r.o. 3.7