← Week 23

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 10 juni 2022

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens misleidende obligatiebrochures; wetenschap van benadeling

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een bestuurder is door het hof persoonlijk aansprakelijk gehouden jegens obligatiehouders wegens misleidende brochures voor de uitgifte van obligaties. De A-G concludeert dat de cassatieklachten over de vereiste wetenschap van benadeling en over artikel 24 Rv falen. Het hof paste de juiste maatstaf voor prospectusaansprakelijkheid toe, waarbij de bestuurder wist of behoorde te begrijpen dat de informatie misleidend was en dat voorzienbaar was dat de obligatiehouders schade zouden lijden. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Het oordeel van het hof komt tegen deze achtergrond bezien in de kern op het volgende neer (zie ook onder 3.13 hiervoor): - Het hof geeft in rov. 5.1 van het arrest de kern van de zaak weer. Het gaat: “in de kern om de vraag of [eiser 1] als bestuurder van Genmed persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die [verweerder] [heeft] geleden nu Genmed de door [verweerder] verstrekte obligatieleningen niet heeft terugbetaald en ook geen verhaal biedt.” Hiermee brengt het hof tot uitdrukking dat sprake is van een geval van “benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering” als bedoeld in rov. 3.5 van het Ontvanger/ […]-arrest (zie onder 4.3 hiervoor). - Het hof stelt vervolgens in rov. 5.2 van het arrest, onder verwijzing naar het Ontvanger/ […]-arrest en het RCI Financial Services-arrest, voorop dat vereist is dat de bestuurder ter zake van de benadeling van schuldeisers persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat het antwoord op de vraag of daarvan sprake is afhankelijk is van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (zie ook onder 4.5 hiervoor). - Het hof overweegt in rov. 5.3 van het arrest, in het licht van het in rov. 5.2 van het arrest uiteengezette kader, dat een bestuurder tegenover beleggers c.q. schuldeisers van de vennootschap op grond van art. 6:162 BW persoonlijk aansprakelijk kan zijn voor een misleidend prospectus, mits de bestuurder daarvan […]”

r.o. 4.10

“Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.De maatstaf voor het kunnen maken van een persoonlijk ernstig verwijt aan [eiser 1] heeft het hof voor een geval van prospectusaansprakelijkheid als het onderhavige vooropgesteld in rov. 5.3 van het arrest. Hiervoor is volgens het hof vereist dat “de bestuurder wist, althans behoorde te weten dat de onjuiste en/of onvolledige mededelingen in het prospectus tot een misleidende voorstelling van zaken zouden leiden en voor hem voorzienbaar was de beleggers c.q. schuldeisers door deze mededelingen nadeel zouden ondervinden” (zie ook onder 4.10 hiervoor). In rov. 5.14 van het arrest komt het hof kort gezegd tot de conclusie dat aan deze maatstaf is voldaan. Het hof overweegt eerst: “ [eiser 1] heeft gelet op het voorgaande ernstig verwijtbaar gehandeld jegens de obligatiehouders ( [verweerder] ) doordat hij ten tijde van het aanbieden van de brochures wist of behoorde te weten dat de daarin opgenomen informatie onjuist en/of onvolledig was en de obligatiehouders op het verkeerde been zou zetten omdat zij in werkelijkheid grotere (financiële) risico’s liepen dan hun werd voorgespiegeld.” (zie ook onder 4.10 hiervoor). In de slotzin van rov. 5.14 oordeelt het hof voorts dat het handelen van [eiser 1] voor ieder van de obligatiehouders heeft geleid tot schade (“nu Genmed haar verplichtingen tot terugbetaling van de ingelegde gelden tegenover deze obligatiehouders niet kon nakomen en ook geen verhaal bood”), “wat gelet op de hiervoor […]”

r.o. 4.13

“Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Het subonderdeel gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest en mist daarmee feitelijke grondslag. In het onderhavige geval past het hof prospectusaansprakelijkheid als bedoeld onder 4.7 hiervoor toe. Dat het hof de onder 4.7 hiervoor bedoelde variant van prospectusaansprakelijkheid heeft toegepast, blijkt uit rov. 5.3 van het arrest (zie ook onder 4.10 hiervoor). Het hof stelt in die rechtsoverweging m.i. de juiste maatstaf voor een persoonlijk ernstig verwijt in dit verband voorop (zie ook onder 4.7 hiervoor): vereist is volgens het hof dat “de bestuurder wist, althans behoorde te weten dat de onjuiste en/of onvolledige mededelingen in het prospectus tot een misleidende voorstelling van zaken zouden leiden en voor hem voorzienbaar was dat de beleggers c.q. schuldeisers door deze mededelingen nadeel zouden ondervinden.” Deze maatstaf wordt overigens in hoger beroep ook door [eiser 1] zelf aangehaald. Uit rov. 5.14 van het arrest blijkt dat aan beide elementen van deze maatstaf is voldaan. Dat [eiser 1] wist of behoorde te begrijpen dat de onjuiste en/of onvolledige mededelingen in het prospectus tot een misleidende voorstelling van zaken zouden leiden, blijkt met name uit rov. 5.14, eerste zin, van het arrest: “ [eiser 1] heeft gelet op het voorgaande ernstig verwijtbaar gehandeld jegens de obligatiehouders ( [verweerder] ) doordat hij ten tijde van het aanbieden van de brochures wist of behoorde te weten dat de daarin […]”

r.o. 4.16

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:541
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
10 juni 2022
Datum publicatie
30 juni 2022
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 2:9 BW, 6:193a BW, 6:193j BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 23 van 2022

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.