Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 10 juni 2022
Ernstig verwijt nieuwe bestuurder na verkoop onderneming en tegenstrijdig belang (verwijzing)
- Aansprakelijkheid deels toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Na het overlijden van de enig bestuurder en enig aandeelhouder van een holding verkocht de nieuwe bestuurder snel een groot deel van de onderneming, zonder voldoende onderzoek en overleg met de certificaathouders. De A-G vindt het oordeel dat de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt treft (artikel 2:9 en 6:162 BW) juist. Hij vindt het oordeel over de koper buiten de rechtsstrijd gewezen en het oordeel dat geen sprake was van tegenstrijdig belang onvoldoende gemotiveerd. Hij concludeert tot vernietiging en verwijzing.
Kernoverwegingen
“Uit niets blijkt dat het hof de verhouding tussen [eiser 1] als bestuurder van M.E. Beheer en de erven als certificaathouders of de hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid heeft miskend. Het hof heeft geoordeeld dat [eiser 1] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, omdat sprake is van een onmiskenbare tekortkoming waarover geen redelijk oordelend en verstandig ondernemer twijfelt (rov. 25.28., zevende alinea). Dit betreft de juiste maatstaf. Ook in de ogen van [eisers] bestaat onder zulke omstandigheden een ‘overlegverplichting’ met certificaathouders. Daarbij springt in het oog dat [eiser 1] het vóór de bewuste vergadering van certificaathouders op 15 juli 2005 kennelijk wél aangewezen vond om veelvuldig contact te onderhouden met de erven/certificaathouders (randnummer 3.22 hiervoor). Naar de reden waarom [eiser 1] het ná de bewuste vergadering plots niet meer nodig vond om met de erven/certificaathouders te overleggen, zelfs niet over op handen zijnde ingrijpende transacties, valt alleen maar te raden.”
r.o. 3.23
“De klachten falen. Uit niets blijkt dat het hof de hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid heeft miskend. Het hof heeft geoordeeld dat [eiser 1] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, omdat sprake is van een onmiskenbare tekortkoming waarover geen redelijk oordelend en verstandig ondernemer twijfelt (rov. 25.28., zevende alinea). Dit betreft de juiste maatstaf. Verder heeft het hof niet geoordeeld dat achteraf gezien wellicht betere oplossingen mogelijk waren. Het hof heeft [eiser 1] verweten drie maanden na het overlijden van [betrokkene 1] twee ingrijpende overeenkomsten te hebben gesloten, zonder eerst voldoende onderzoek te doen naar mogelijke alternatieven en zonder voldoende overleg te plegen met de erven/certificaathouders en overige betrokkenen. Het spreekt voor zich dat een dergelijke handelwijze tot benadeling van M.E. Beheer zou kunnen leiden; dat heeft ook [eiser 1] in de zomer van 2005 kunnen en moeten voorzien.”
r.o. 3.41
“Bij deze stand van zaken – waarbij na cassatie en verwijzing wat dit betreft slechts nog de vraag voorlag of [eiser 2] onrechtmatig jegens M.E. Beheer c.s. heeft gehandeld door inbreuk te maken op het eigendomsrecht van M.E. Beheer c.s. (randnummer 3.48 hiervoor) – is het onjuist dat het hof in rov. 25.29. heeft geoordeeld dat [eiser 2] onrechtmatig jegens M.E. Beheer c.s. heeft gehandeld door, zonder het vereiste onderzoek te doen en het vereiste overleg te voeren, de transacties van 9 augustus 2005 uit te voeren.”
r.o. 3.52