← Week 19

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 12 mei 2023

Interne bestuurdersaansprakelijkheid: verjaring en toerekening van kennis aan rechtspersoon

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een houdstervennootschap vorderde van haar voormalige indirect bestuurder schadevergoeding wegens interne bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 2:9 en 2:11 BW). Het hof wees de vorderingen af wegens verjaring, omdat de kennis van de bestuurder en van een financieel directeur aan de vennootschap werd toegerekend. De A-G concludeert dat de regel dat de wetenschap van een bestuurder in beginsel als wetenschap van de rechtspersoon geldt, ook van toepassing is bij een bestuurder met tegenstrijdig belang. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Hoe dan ook: de klacht miskent hier dat de Hoge Raad in genoemd arrest met genoemde regel een maatstaf hanteert die weliswaar oog heeft voor de feiten en omstandigheden van het concrete geval, maar - mede gezien de formulering ervan - tegelijkertijd bedoeld is om in algemene zin gelding te hebben. Ook waar zich voordoet waarop de klacht doelt, dus waar het gaat om een situatie waarbij de desbetreffende bestuurder een tegenstrijdig belang heeft, althans om zijn eigen interne bestuurdersaansprakelijkheid. Dit te meer nu in genoemd Hoge Raad-arrest eveneens verjaringsproblematiek aan de orde was. De andersluidende opvatting die de klacht hier voorstaat, met inbegrip van de uiteenzetting in nr. 22 van de procesinleiding als zodanig, vindt derhalve geen steun in het recht.”

r.o. 3.7.2

“Hoe dan ook: de klacht miskent hier dat de opvatting die het huldigt inzake zo’n uitzondering - in genoemde situatie “moet”, althans “in elk geval”, etc.: zie onder 3.8 sub (i)-(ii) hiervoor - evenmin steun vindt in het recht, want te categorisch en smal is. Hier is van overeenkomstige toepassing hetgeen ik uiteenzette onder 3.7.3-3.7.5 hiervoor. Daarbij betrek ik tevens dat voor zo’n opvatting evenmin een basis te vinden valt in genoemd Hoge Raad-arrest, waarin hij generiek verwijst naar het “onder bijzondere omstandigheden” mogelijk zijn van een uitzondering. Een casuïstische benadering dus, met oog voor de gehele context van het voorliggende geval; geen reductionistische benadering, waarin de gegeven feiten en omstandigheden hooguit zeer beperkt kunnen meewegen als voorgestaan door de klacht. Zie onder 3.7.2 hiervoor. Waarbij nog te bedenken valt dat de daar door de Hoge Raad bereikte uitkomst, erop neerkomend dat het bestreden oordeel in hoger beroep “geen blijk [geeft] van een onjuiste rechtsopvatting”, juist is toegespitst op de specifieke verhoudingen en overige feiten en omstandigheden van dát geval als gegeven in cassatie. Daarmee is een te onderscheiden geval als het onderhavige nog niet bestreken.”

r.o. 3.8.2

“Ook in zoverre strandt de klacht. Voor zover de klacht beroep doet op nr. 23 van de procesinleiding voldoet deze niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Ik lees in dat nr. 23 niets wat ziet op genoemd oordeel van het hof ten aanzien van [betrokkene 5] . Het gaat in dat nr. 23 over het onder 3.10-3.10.1 hiervoor bedoelde, te onderscheiden oordeel van het hof ten aanzien van [verweerder] . Voor zover de klacht beroep doet op nr. 22 van de procesinleiding geldt dat de daarin vervatte uiteenzetting hoe dan ook niet maakt dat genoemd oordeel van het hof ten aanzien van [betrokkene 5] blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Ter beantwoording van de vraag of wetenschap ter zake van [betrokkene 5] dient te worden toegerekend aan de betrokken rechtspersoon neemt het hof als vertrekpunt, in rov. 3.106, eerste zin, “dat kennis van een functionaris van een rechtspersoon in beginsel aan die rechtspersoon wordt toegerekend indien deze kennis naar verkeersopvattingen als kennis van de rechtspersoon heeft te gelden, wat afhangt van alle feiten en omstandigheden van het geval waaronder de positie van de betrokken functionaris.” Dit is terecht. Ook hier is van overeenkomstige toepassing hetgeen ik uiteenzette onder 3.7.3-3.7.5 hiervoor. Dit wordt niet anders door het Treston/HDI-arrest van de Hoge Raad, dat bovendien betrekking heeft op een andere casus. Zie ook onder 3.7.2 en 3.8.2 hiervoor. Anders dan de klacht kennelijk betoogt, geldt rechtens dus niet een harde correctie op genoemd […]”

r.o. 3.11.1

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2023:490
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
12 mei 2023
Datum publicatie
6 juni 2023
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:9 BW, 2:11 BW, 3:310 BW, 2:240 BW, 2:8 BW, 2:239 BW, 2:250 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 19 van 2023

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.