Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 22 september 2023
Conclusie: ondeelbaarheid bij rechtshandeling en aansprakelijkheid bij splitsing ex artikel 2:334t BW
- Fusie en splitsing
- Boek 2 BW
Samenvatting
Deze conclusie van de advocaat-generaal gaat over de aansprakelijkheid van rechtspersonen na een juridische afsplitsing. Volgens de A-G geldt de hoofdelijke aansprakelijkheid van artikel 2:334t lid 2 BW alleen voor verbintenissen die naar hun aard ondeelbaar zijn; partijen kunnen een deelbare verbintenis niet bij overeenkomst ondeelbaar maken voor deze regeling. Het oordeel van het hof houdt daarom geen stand. Ook het oordeel over een buitensporig rentebeding is volgens de A-G onvoldoende gemotiveerd.
Kernoverwegingen
“Het subonderdeel stelt met de klachten onder meer de principiële vraag aan de orde of art. 2:334t lid 2 BW inderdaad ruimte biedt aan toepassing in zo’n geval, aangenomen dat art. 6:6 lid 2 BW niet in het algemeen ondeelbaarheid bij rechtshandeling (krachtens partijbedoeling) uitsluit (en ’s hofs oordeel in rov. 5.7 van het arrest dus niet reeds daarop strandt). Dit vergt uitleg van art. 2:334t BW, in het bijzonder: wat betekent “ondeelbare verbintenissen” in art. 2:334t lid 2 BW? Ik meen, anders dan Rabobank en het hof in rov. 5.7, en met het subonderdeel, dat art. 2:334t lid 2 BW die ruimte niet biedt. Anders gezegd: dat het bij “ondeelbare verbintenissen” in art. 2:334t lid 2 BW gaat om ondeelbaarheid naar de aard van (de prestatie onder) de verbintenis, niet (ook) om ondeelbaarheid enkel bij zo’n rechtshandeling. Is sprake van dit laatste, dus van ondeelbaarheid enkel bij rechtshandeling (krachtens partijbedoeling), oftewel van deelbaarheid naar de aard van (de prestatie onder) de verbintenis, dan valt voor doeleinden van art. 2:334t BW de betreffende verbintenis onder de “deelbare verbintenissen” in art. 2:334t lid 3 BW (waarbij het gaat om deelbaarheid naar de aard ervan). Dit is relevant, omdat bij toepassing van art. 2:334t lid 3 BW sprake kan zijn van een aansprakelijkheidsbeperking ten gunste van een verkrijgende rechtspersoon of voortbestaande gesplitste rechtspersoon (bij afsplitsing) (zie lid 3, laatste zin), welke mogelijkheid art. 2:334t lid 2 BW niet kent. […]”
r.o. 3.8
“M.i. gaat het bij “ondeelbare verbintenissen” in art. 2:334t lid 2 BW dus om ondeelbaarheid naar de aard van (de prestatie onder) de verbintenis. Is sprake van ondeelbaarheid enkel bij rechtshandeling (krachtens partijbedoeling), oftewel van deelbaarheid naar de aard van (de prestatie onder) de verbintenis, dan valt deze verbintenis onder de “deelbare verbintenissen” in art. 2:334t lid 3 BW (waarbij het gaat om deelbaarheid naar de aard ervan). Daarvoor vind ik steun in het volgende.”
r.o. 3.32
“Art. 2:334t BW maakt naar de letter niet duidelijk of “ondeelbare verbintenissen” in lid 2 alleen ondeelbaarheid naar de aard van (de prestatie onder) de verbintenis betreft (en “deelbare verbintenissen” in lid 3 alleen deelbaarheid naar de aard ervan). Zie onder 3.19 hiervoor. De parlementaire geschiedenis ter zake evenmin. Zie onder 3.20 en 3.22 hiervoor. Intussen ligt het in de rede dat de wetgever daarvan wel steeds is uitgegaan. Dit sluit immers aan op het sinds de invoering van het nieuwe BW per 1 januari 1992 geldende regime van art. 6:6 BW. Waaraan, naar wordt aangenomen, in het kader van art. 2:334t BW relevantie toekomt. Zie onder 3.23 hiervoor. En waarbij het, blijkens de parlementaire geschiedenis van art. 6:6 BW, wat betreft de (on)deelbaarheid van de prestatie onder de verbintenis draait om de aard van die prestatie. En ervoor is gekozen de onder het oude BW bestaande rechtsfiguur van de ondeelbaarheid bij rechtshandeling (krachtens partijbedoeling), vervat in art. 1336 lid 1, aanhef en sub 5o (oud) BW, niet over te nemen. Zie onder 3.23-3.26 hiervoor. ‘s Hofs overwegingen in rov. 5.7 van het arrest over art. 6:6 lid 2 BW staan daarmee dus op gespannen voet. Als de wetgever bij de invoering van art. 2:334t BW een andere opvatting had gehuldigd, in het bijzonder dat het bij “ondeelbare verbintenissen” in lid 2 tevens kan gaan om ondeelbaarheid enkel bij rechtshandeling (krachtens partijbedoeling), dus niet ook naar de aard van (de prestatie onder) de […]”
r.o. 3.33