← Week 16

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 19 april 2024

Nietigheid VvE-besluit ex artikel 2:14 BW bij dakopbouw en splitsing; oproeping appartementseigenaars

  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een conclusie in een VvE-geschil over een dakopbouw en de splitsing van een bedrijfsruimte. Het hof verklaarde het toestemmingsbesluit nietig op grond van artikel 2:14 BW, omdat het zonder de vereiste versterkte meerderheid voor wijziging van de akte van splitsing was genomen. De A-G meent dat het hof de rechtsgronden mocht aanvullen en dat de rechter binnen de grenzen van een behoorlijke rechtspleging mag afzien van oproeping van belanghebbenden. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Een praktische benadering van art. 5:130 lid 3 en art. 5:140 lid 4 BW betekent uiteindelijk dat de rechter, met inachtneming van de eisen van een behoorlijke rechtspleging, ervoor kan kiezen om een oproeping van een of meer van de personen die in art. 5:130 lid 3 en art. 5:140 lid 4 BW worden aangeduid achterwege te laten. Met zijn beslissing mag hij niet het beginsel van hoor en wederhoor schenden en evenmin mag zijn beslissing ertoe leiden dat een partij die hij niet als belanghebbende heeft laten oproepen rechtstreeks door zijn uiteindelijke beslissing wordt benadeeld. Binnen deze grenzen zou de rechter dus van het bevelen van een oproeping mogen afzien, waarbij uiteraard van hem kan worden verlangd dat hij deugdelijk motiveert waarom hij er voor gekozen heeft om af te wijken van art. 5:130 lid 3 en/of art. 5:140 lid 4 BW. Bespreking van de klachten van onderdeel II”

r.o. 3.22

“Ten eerste meen ik dat het hof in rov. 5.15 de rechtsgronden heeft aangevuld (art. 25 Rv) en dat niet kan worden gezegd dat het hof hiermee buiten de grenzen van het processuele debat is getreden. Het hof heeft in de in cassatie onbestreden rov. 5.3 vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat het realiseren van de dakopbouw en splitsing van de bedrijfsruimte gevolgen heeft voor de goederenrechtelijke situatie tussen de eigenaars en dat daarom de akte van splitsing moet worden gewijzigd. Het hof heeft dit aan het begin van rov. 5.15 herhaald en als uitgangspunt genomen bij zijn beoordeling van het toestemmingsbesluit. Dit wordt door het onderdeel miskend. Op basis van dit uitgangspunt, dat dus zijn grondslag vindt in het partijdebat, heeft het hof vervolgens de rechtsgronden van het verzoek van de tegenstemmers tot vernietiging van het toestemmingsbesluit aangevuld door te oordelen dat indien wordt besloten tot het realiseren van de dakopbouw en splitsing van de bedrijfsruimte zonder dat hiervoor de vereiste wettelijke meerderheid is behaald (art. 5:139 lid 2 BW), dit in strijd is met de huidige akte van splitsing, zodat het toestemmingsbesluit nietig is op grond van art. 2:14 lid 1 BW in verbinding met art. 5:129 lid 1 BW. Een vernietiging zoals was verzocht door de tegenstemmers was na deze vaststelling niet meer nodig. Hierbij is bovendien van belang dat het hof juist de door de tegenstemmers gewenste uitkomst bereikt: in beide gevallen wordt het toestemminsbesluit […]”

r.o. 3.35

“Ten tweede mist het onderdeel feitelijke grondslag in de bestreden beschikking en de gedingstukken waar het ervan uitgaat dat de tegenstemmers niet hebben gesteld dat het toestemmingsbesluit in strijd is met de akte van splitsing. [verweerster 1] heeft in haar inleidende verzoekschrift de rechtbank verzocht “de besluiten van de ledenvergadering te vernietigen. Dit vanwege strijd met de redelijkheid en billijkheid alsmede (…) met de wet.” Zij heeft daarbij ook gesteld: “Het toestaan van een situatie die in strijd is met de akte [akte van splitsing, A-G] en waar nadrukkelijk geen steun is voor het wijzigen van de akte, kan niet met een regulier meerderheidsbesluit [het toestemmingsbesluit, A-G] worden genomen.” In hoger beroep hebben de tegenstemmers hun stellingen uit de eerste aanleg gehandhaafd en herhaald. Ook om deze reden kan dus niet worden gezegd dat het hof buiten het processuele debat is getreden.”

r.o. 3.36

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2024:433
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
19 april 2024
Datum publicatie
15 mei 2024
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:14 BW, 2:15 BW, 5:124 BW, 5:129 BW, 5:130 BW, 5:139 BW, 5:140 BW
Thema
Besluitvorming en vernietigbaarheid, Vereniging, stichting en coöperatie
Weekoverzicht
Week 16 van 2024

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.