Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 28 februari 2025
Te vroeg begonnen aandeelhoudersvergadering: Wijsmuller-norm, vernietigbaarheid en geldigheid statutenwijziging bv
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
In deze conclusie gaat het om een statutenwijziging van een bv die de aanbiedingsregeling voor aandelen buiten toepassing verklaart, genomen in een aandeelhoudersvergadering die volgens enkele aandeelhouders te vroeg was begonnen. De A-G acht niet bepleit dat een eerder gestarte vergadering rechtens geen algemene vergadering is: daarvoor is voldoende samenhang met het bijeenroepingsbesluit nodig, wat feitelijk wordt beoordeeld. Schending van de Wijsmuller-norm leidt tot vernietigbaarheid op grond van artikel 2:15 BW, niet tot nietigheid op grond van artikel 2:14 BW. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Vooropgesteld zij dat Boek 2 BW geen regeling ter zake bevat. Daarin is niets bepaald over de kwalificatie van een vergadering (wel of geen algemene vergadering) als die vergadering eerder start dan het tijdstip dat is opgenomen in de bijeenroeping van en/of oproeping voor de algemene vergadering. Mij is geen parlementaire geschiedenis bekend waaruit blijkt dat de wetgever voornoemde opvatting niettemin voor ogen heeft gestaan. In cassatie beroept [eiser] zich ook niet op een dergelijke regeling/bepaling of parlementaire geschiedenis.”
r.o. 3.17.5
“Dumoulin heeft onder meer op het volgende gewezen: “Door het bijeenroepen van de vergadering wordt de daarop volgende bijeenkomst van aandeelhouders als aandeelhoudersvergadering gekwalificeerd. Het is van belang dat ‘de bijeenkomst’ ook de bijééngeroepen bijeenkomst is. Er dient voldoende samenhang te bestaan tussen het bijeenroepingsbesluit en de vergadering”. Dit komt mij juist voor. Of zo’n voldoende samenhang in een concreet geval bestaat, is naar de aard een sterk feitelijke kwestie. “Regels van dwingende logica beheersen het vennootschapsrecht maar in beperkte mate”, zo schreef Timmerman 20 jaar geleden al. Welnu, er is ook hier geen vanzelfsprekende, geen dogmatische noodzaak voor een op voorhand stringentere benadering. Daarbij past, in zoverre kan ik De Roo volgen, dat een bijeenroepingsbesluit (in de zin van art. 2:219 BW) zoals iedere rechtshandeling naar haar redelijke zin uitgelegd moeten worden. En dat het in dit besluit vastgesteld zijn van het moment en de locatie van de algemene vergadering dus niet wil zeggen dat iedere afwijking van een feitelijke samenkomst ten opzichte van deze vaststelling aan de kwalificatie van deze samenkomst als algemene vergadering in de weg staat. Zó mechanisch zit het systeem eenvoudigweg niet in elkaar.”
r.o. 3.17.12
“Vraag: wat is nu de redelijke zin ervan om in zo’n geval (door uitleg van het bijeenroepingsbesluit) aan te nemen dat de bijeenkomst die feitelijk plaatsvond, dus die vroeger gestarte aandeelhoudersvergadering, niet integraal de bijeengeroepen bijeenkomst is en daarom rechtens niet kan worden gekwalificeerd als algemene vergadering, vanwege dit afwijkende, want vroegere, starten van eerstgenoemde bijeenkomst? Antwoord: die redelijke zin is er m.i. niet, want in zo’n geval is er geen goede reden om aan te nemen dat voldoende samenhang tussen het bijeenroepingsbesluit en de aandeelhoudersvergadering ontbreekt. Dan is er geen probleem dat, gelet op de betrokken belangen, waaronder dat van rechtszekerheid, een oplossing verdient door die samenhang niet aan te nemen. De enige reden die De Roo aandraagt voor een andere uitkomst (“dat de vergadergerechtigden in beginsel erop mogen vertrouwen dat de vergadering niet eerder dan dit tijdstip begint”, zie onder 3.17.11 hiervoor) mist hier hoe dan ook relevantie, gezien 3.17.13 hiervoor.”
r.o. 3.17.14