Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 16 mei 2025
Conclusie A-G: geldigheid juridische fusie pensioenverzekeraar en Aegon, artikel 2:323 BW
- Fusie en splitsing
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een verzekerde van een pensioenverzekeraar die door juridische fusie is opgegaan in een levensverzekeraar, wil de fusie ongedaan maken of schadevergoeding krijgen. Hij stelt dat het eigen vermogen van circa € 2,5 miljard door de fusie is toegeëigend en dat de toestemming van de toezichthouder ontbreekt. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Het ontbreken van instemming van de toezichthouder maakt de fusie volgens hem niet nietig en valt niet onder de vernietigingsgronden van artikel 2:323 BW.
Kernoverwegingen
“Art. 1:23 lid 1 Wft luidt als volgt: “De rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling welke is verricht in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels is niet uit dien hoofde aantastbaar, behalve voorzover in deze wet anders is bepaald”. Het toepassingsbereik van deze bepaling is helder: privaatrechtelijke rechtshandelingen, tussen wie dan ook, verricht in strijd met de bij of krachtens de Wft gestelde regels. Het is niet mis te verstaan en de tekst van art. 1:23 lid 1 Wft biedt geen enkel aanknopingspunt voor de gedachte dat sommige privaatrechtelijke rechtshandelingen niet daardoor worden bestreken. Hooguit kan de vraag rijzen wat “rechtsgeldigheid” en “aantastbaar” precies betekent, maar dat raakt niet het duidelijke toepassingsbereik van de bepaling.”
r.o. 3.45.3
“De klacht wil kennelijk betogen, gelet op de slotzin, dat de fusie alléén rechtsgeldig is indien de instemming van DNB is verleend. De bepaling moet m.i. echter niet zo, dus a contrario, worden begrepen. Ik werk dit uit. i. Art. 1:23 lid 1 Wft veronderstelt, gelet op het daaraan ten grondslag liggende streven naar rechtszekerheid (zie onder 3.45.4 hiervoor), dat afwijkingen daarvan voldoende duidelijk zijn. Voorbeelden zijn art. 1:116 lid 3 Wft, art. 3:264a lid 3 Wft en art. 4:22 Wft. De tekst van art. 3:119 Wft bevat m.i. geen, en al zeker geen duidelijke, afwijking van art. 1:23 lid 1 Wft. Dat artikel zegt immers niets over de privaatrechtelijke rechtsgevolgen van het ontbreken van instemming. ii. In de wetsgeschiedenis van art. 3:119 Wft is evenmin opgemerkt dat het ontbreken van instemming privaatrechtelijke gevolgen heeft, terwijl het in relatie tot het destijds geïntroduceerde art. 1:23 lid 1 Wft voor de hand zou hebben gelegen dergelijke gevolgen expliciet te stipuleren. Daaraan doet niet af wat onder iii hierna volgt over de antecedenten van art. 3:119 Wft. iii. De voorgeschiedenis van art. 3:119 Wft biedt ook onvoldoende sprekende aanknopingspunten voor de lezing dat de fusie alléén rechtsgeldig is indien de instemming van DNB is verleend. De slotzin van art. 3:119 Wft is, via art. 131 lid 4 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993,terug te voeren op art. 37 lid 3 Wet op het Levensverzekeringsbedrijf (uit 1922). Destijds in 1922 werd daarnaast óók nog bepaald, namelijk […]”
r.o. 3.46.6
“Het subonderdeel faalt voorts voor zover zij voortbouwt op de in subonderdeel III.1 verdedigde opvatting dat de instemming van DNB als bedoeld in art. 3:112 en 3:119 Wft een voorwaarde is voor de rechtsgeldigheid van een door die regeling bestreken fusie. Dat is niet zo. Zie in het bijzonder onder 3.46-3.46.6 hiervoor.”
r.o. 3.51.2