Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 17 april 2026
Opzegging erfpachtrecht door parochie; zijdelingse verwijzing naar artikel 2:2 BW
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
De zaak gaat over de opzegging van een erfpachtrecht door een erfverpachter die de woning zegt nodig te hebben voor eigen doeleinden. Boek 2 speelt slechts zijdelings een rol: de A-G noemt in het voorbijgaan artikel 2:2 BW bij de vraag of een samenwerkingsverband van parochies met rechtspersoonlijkheid automatisch verplichtingen voor de afzonderlijke parochie meebrengt. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverweging
“De parochie heeft in de toelichting op grief 2 gesteld dat zij al jarenlang een verliesgevende exploitatie heeft en een negatief resultaat. Zij stelt met zowel teruglopende inkomsten als toenemende onderhoudslasten van het kerkgebouw en personeelskosten te kampen te hebben. Ter dekking van de structurele exploitatieverliezen heeft zij inkomsten nodig. Deze kunnen worden gegenereerd door het opgezegde perceel opnieuw, tegen een marktconforme althans een in lijn met de grondwaarde bepaalde canon, uit te geven. Anders gezegd: de parochie stelt dat zij het perceel om financiële redenen nodig heeft. Daargelaten of dit feitelijk zo is, naar het oordeel van het hof kan de parochie haar behoefte aan meer inkomsten uit het perceel in redelijkheid niet aanmerken als een nodig hebben daarvan voor eigen doeleinden in de zin van artikel 14b van de erfpachtakte. Hierbij dient te worden bedacht dat deze bepaling ook gold vóór het einde van de looptijd van de canon per 1 januari 2020. Indien de parochie op grond van financiële argumenten als de onderhavige de erfpacht zou kunnen opzeggen (en tijdens de looptijd van de canon zou hebben kunnen opzeggen), zou afbreuk worden gedaan aan het bepaalde in de erfpachtakte dat de canon niet kan worden geïndexeerd of herzien: de (dreiging met een) opzegging zou alsdan door de parochie in feite kunnen worden gebruikt om (voor het einde van de looptijd ervan) een hogere canon te bedingen.”
r.o. 3.9