Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 17 juli 2026
Turboliquidatie met later gebleken bate: voortbestaan of heropening vereffening; arbitragebeding
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een turbogeliquideerde rechtspersoon blijkt achteraf toch een bate te hebben gehad. De A-G meent dat de vereffening dan niet eerst via de rechter (artikel 2:23c BW) hoeft te worden heropend, maar dat de rechter het bestaan van baten ook in de lopende procedure kan toetsen (essentia-leer). Daarmee was een derde rechtsgeldig gevolmachtigd om de ontbonden commanditaire vennootschap te vertegenwoordigen. Het beroep op het arbitragebeding is naar zijn oordeel evenmin onaanvaardbaar, en hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Uit de (hierna te bespreken) rechtspraak volgt dat het oordeel van het bestuur of van de vereffenaar van de ontbonden rechtspersoon dat geen sprake (meer) is van een bate door de rechter kan worden getoetst. Daarvoor hoeft niet de route van art. 2:23c lid 1 BW te worden gevolgd, ook niet als de rechtspersoon is opgehouden te bestaan en dat feit ook in het handelsregister is ingeschreven. In haar conclusie in de zaak Ongo merkt A-G Wesseling-van Gent op dat het ‘onaannemelijk’ is dat alleen de verklaring van het bestuur van een ontbonden rechtspersoon dat geen sprake (meer) is van baten beslissend is voor het antwoord op de vraag of een rechtspersoon na ontbinding ook is opgehouden te bestaan. Zij wees in dat verband op “de objectieve formulering van art. 2:19 lid 4 BW”. A-G Timmerman merkte in zijn conclusie in de zaak Zohar Foods International het volgende op:
“(…) Of een rechtspersoon blijft voortbestaan, is een vraag die vooral inhoudelijk, materieel, materialistisch (is er nog een bate?) bezien dient te worden. Dit door de wetgever en Hoge Raad ontwikkelde systeem lijkt mij voor de praktijk wenselijk. Men voorkomt dat in al te veel gevallen een heropening van de vereffening via de rechter gevraagd dient te worden.”
Voor het antwoord op de vraag of een ontbonden rechtspersoon blijft bestaan is de werkelijke toestand beslissend, niet de inschrijving in het handelsregister of het oordeel van het bestuur ten tijde van de ontbinding.
4.17.1 Ik maak een uitstap naar de […]”
r.o. 4.17
“De Hoge Raad spreekt in de arresten Adjuncten Properties/Söderqvist en Ongo niet van ‘herleven’ of heropenen van de vereffening. In rov. 4.3 van het eerstgenoemde arrest wordt wel gesproken van ‘blijven bestaan’. Ik leid in ieder geval uit die arresten af dat het oordeel over het bestaan van baten ten tijde van de ontbinding in rechte, ook buiten een procedure op de voet van art. 2:23c lid 1 BW kan worden getoetst. In het licht daarvan ligt het minder voor de hand om uit te gaan van een interpretatie waarin wordt uitgegaan van ‘herleven’. Als wordt uitgegaan van ‘herleven’, dan bestond de rechtspersoon in de tussentijd niet. Als wordt aangenomen dat de rechtspersoon is blijven voortbestaan, dan is zij niet opgehouden te bestaan en kan zij daarom ook niet ‘herleven’.”
r.o. 4.25
“Toch wil ik voor die leer hier geen lans breken, nu de bestaande rechtspraak van de Hoge Raad, zoals samengevat in 4.17.1 - 4.17.4, vrij duidelijk tendeert naar de meer open en als meer praktisch gepercipieerde ‘essentia-leer’. Daar komt nog bij dat in de gevallen waarin een ontbindingsbesluit is genomen door de algemene vergadering, of in voorkomend geval een ander orgaan van de rechtspersoon, het niet voor de hand ligt om voor de heropening de route van art. 2:23c lid 1 BW verplicht voor te schrijven, ook als wegens het ontdekken van een (nagekomen) bate het voormalige bestuur de vereffening moet heropenen. Ik kan mij evenwel voorstellen dat de rechter wél in beeld moet komen indien de ontbinding het rechtgevolg is geweest van een beslissing van de rechter, zoals de beslissing het faillissement op te heffen bij gebrek aan baten. In dat geval dient mijns inziens een verzoek om de vereffening te heropenen ook aan de rechter te worden voorgelegd. Meer in zijn algemeenheid kan men zich voorstellen dat derden, die menen door of bij een turboliquidatie te zijn benadeeld, zoals bepaalde schuldeisers, er belang bij kunnen hebben om, ook als daartoe geen verplichting bestaat, een verzoek ex art. 2:23c lid 1 BW in te dienen, bijvoorbeeld omdat zij niet afhankelijk willen zijn van de (voormalige) bestuursleden.”
r.o. 4.27