Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 2 oktober 2026
Ontslag van bestuurders door AVA: nietigheid, bijeenroeping en tegenstrijdig belang (A-G)
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
In deze conclusie gaat het om de vraag of twee bestuurders van een besloten vennootschap rechtsgeldig zijn ontslagen door een algemene vergadering die door een aandeelhouder zelf was bijeengeroepen. De A-G bespreekt onder meer nietigheid versus vernietigbaarheid van besluiten, de statutaire bijeenroepingsregeling, de redelijkheid en billijkheid en het tegenstrijdig belang van bestuurders (artikel 2:239 lid 6 BW). Hij stelt dat een tegenstrijdig belang concreet moet worden onderbouwd en concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Dit laat zich zo samenvatten dat een tegenstrijdig belang van een bestuurder eerst kan worden aangenomen indien deze functionaris van de vennootschap in de gegeven omstandigheden aanwijsbaar te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen, waaronder het vennootschapsbelang, dat in redelijkheid kan worden betwijfeld (dus objectief) of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het vennootschapsbelang, zoals een neutrale beslisser (of: een integer en onbevooroordeeld bestuurder) zou doen. Dán is er een reëel, concreet risico op verstoring van het beoordelingsvermogen van de betrokken bestuurder door dat belangenconflict ten nadele van het vennootschapsbelang, oftewel op belangenvermenging door de bestuurder ten nadele van de vennootschap. En dit is hier het springende punt: vereist is dus ook weer niet dat de bestuurder dat met het vennootschapsbelang onverenigbare belang zál laten prevaleren, dus dat sprake zál zijn van belangenvermenging door hem ten nadele van de vennootschap. Van zo’n reëel, concreet risico op belangenvermenging door de bestuurder ten nadele van de vennootschap kan naar de aard ook sprake zijn als deze functionaris de overtuiging is toegedaan (dus subjectief) dat hij ondanks het belangenconflict bij zijn taakvervulling onverkort voorrang zal geven aan het vennootschapsbelang, en aldus zuivere intenties heeft. Op dit laatste komt het hier niet aan, want “human nature may incline even one acting in subjective good faith to rationalize as right […]”
r.o. 3.23.5
“Verder meen ik, met het hof in rov. 3.18 (in verbinding met rov. 3.14), dat het bij deze stellingname van Qati duidelijk niet gaat om de vereiste (voldoende geadstrueerde) omstandigheden waaruit volgt dat [vader en zoon] op het onderhavige punt als bestuurders van Qati niet in staat konden worden geacht het belang van Qati (inclusief de met haar verbonden onderneming) met de vereiste objectiviteit en integriteit te behartigen, oftewel dat ter zake bij hen een tegenstrijdig belang bestond. Zie ook onder 3.23.4-3.23.6 hiervoor. Anders gezegd: deze door Qati gestelde omstandigheden rechtvaardigen duidelijk niet de conclusie (dat [betrokkene 1] als bestuurder van Qati ervan mocht uitgaan) dat ter zake bij [vader en zoon] een tegenstrijdig belang bestond, zodat [vader en zoon] aan de beslissing van het bestuur van Qati een algemene vergadering uit te schrijven niet konden deelnemen en (dus) [betrokkene 1] die bevoegdheid, als enig overgebleven bestuurder van Qati, zelfstandig toekwam.”
r.o. 3.25.7
“Het mag zo zijn dat [vader en zoon] een persoonlijk belang hadden bij de ontslagkwestie (het ging immers om hun ontslag als bestuurders van Qati), daarmee is nog niet gezegd dat dit persoonlijke belang, of meer precies hun eerder kenbaar gemaakte weigering met een dergelijk ontslag in te stemmen, conflicteerde met dat belang van Qati, laat staan dat vanwege die weigering sprake was van zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kon worden betwijfeld dat [vader en zoon] zich op het voornoemde punt uitsluitend zouden laten leiden door dat belang van Qati. Waarom zo’n belangenconflict wel kon worden aangenomen, heeft Qati ook in hoger beroep met die stellingname - in wezen een doelredenering - niet concreet gemaakt, evenmin via de verwijzing naar “overige trainerende acties van [vader en zoon] ” Bij het voorgaande zij nog bedacht dat [vader en zoon] beiden via hun persoonlijke holdings aandelen hielden in Qati, wat indiceert dat zij gebaat waren bij het bevorderen van het bestendige succes van de met Qati verbonden onderneming, hetgeen in de regel vooral dat belang van Qati bepaalt., Dat het [vader en zoon] bij die weigering te doen zou zijn geweest om iets anders dan dat belang van Qati, zoals behoud van bezoldiging als bestuurder, is door haar ook niet aangevoerd.”
r.o. 3.25.8