Rechtbank Amsterdam · 15 januari 2026
Vordering advocatenfacturen tegen vereniging afgewezen wegens onbevoegde bestuursleden en geen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
Een advocatenkantoor vordert betaling van facturen van een vereniging, omdat bestuursleden het kantoor hadden ingeschakeld. De kantonrechter wijst de vordering af: de bestuursleden waren statutair niet bevoegd de vereniging te verbinden en er was ook geen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Artikel 2:9 BW, in de dagvaarding aangehaald, vormt volgens de kantonrechter geen zelfstandige grondslag voor betaling.
Kernoverwegingen
“Niet in geschil is dat niet rechtsgeldig de opdracht is verstrekt, omdat de bestuursleden van de Kunstenbond die Utazi Law hebben ingeschakeld, op grond van de statuten onbetwist niet bevoegd waren om namens de Kunstenbond rechtshandelingen aan te gaan.”
r.o. 1.4
“Er is ook geen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Ten eerste heeft [naam 1] kennis kunnen nemen van het huishoudelijk reglement, waarin een regeling stond voor wat er mogelijk is in dit soort gevallen met kosten van derden. Deze regeling is niet gevolgd. Verder heeft [naam 1] in productie 31 onder 3 opgeschreven dat [naam 3] namens hemzelf en namens [naam 4] de betaling van de werkzaamheden van Utazi Law intern bij de Kunstenbond zou proberen te regelen, zodat het niet als een privéaangelegenheid bij [naam 3] en [naam 4] zou blijven liggen. Dus op dat moment was er in ieder geval nog geen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, want het moest nog geregeld worden. En op 30 mei 2025 is heel duidelijk gezegd vanuit het bestuur dat geen opdracht werd gegeven aan Utazi Law, dus vanaf dat moment was er in ieder geval geen onduidelijkheid meer over de vertegenwoordigingsbevoegdheid en kon er dus niet meer gedeclareerd worden. Maar ook daarvoor was er dus geen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid.”
r.o. 1.5
“De artikelen 6:2, 2:9 en 3:13 Burgerlijk Wetboek (BW), die in de dagvaarding zijn aangehaald, brengen daar geen verandering in. Dit zijn in ieder geval geen zelfstandige grondslagen op grond waarvan iets betaald moet worden. Er is ook niet een redenering voorstelbaar waarmee die artikelen in aanvulling op de feiten tot een opdracht zouden leiden, want dat standpunt zou erop neerkomen dat de redelijkheid en billijkheid in dit soort gevallen een overeenkomst in het leven zouden kunnen roepen en dat is niet rechtens.”
r.o. 1.6