← Week 8

Rechtbank Amsterdam · 19 januari 2026

Dwangsom bij gelaste vereffening vof onvoldoende bepaald; executie en beslagen gestaakt

  • Personenvennootschappen
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

Na een arbitraal vonnis over de ontbinding en vereffening van een vof executeren twee vennoten een dwangsom tegen de twee andere vennoten. De voorzieningenrechter oordeelt dat de dwangsomveroordeling onvoldoende duidelijk en bepaald is, omdat de vereffening door alle vennoten gezamenlijk is gelast terwijl alleen de twee vennoten een dwangsom is opgelegd. De executie moet worden gestaakt en de beslagen worden opgeheven.

Kernoverwegingen

“Doel en strekking van de dwangsom kan worden afgeleid uit rechtsoverweging 7.53, met name uit de volgende overweging:

Eisers hebben zeer veel moeite moeten doen om inzage te krijgen in de volledige administratie van de VOF, terwijl zij daar als vennoten recht op hadden. In dat licht oordeelt Arbiter dat Eisers er niet als vanzelfsprekend op mogen vertrouwen dat Verweerders de vereffening en verdeling van de VOF voortvarend zullen oppakken en dat het gepast is om aan Verweerders een dwangsom op te leggen om hen daartoe aan te sporen. Eisers hebben er immers een gerechtvaardigd belang bij dat de vereffening en verdeling van de VOF, op de wijze zoals bepaald in dit arbitrale eindvonnis, zo spoedig mogelijk plaatsvindt. De hoogte van de dwangsom zal een voldoende serieuze prikkel moeten zijn om Eisers niet onnodig langer in onzekerheid te laten over de eindafwikkeling van de VOF en Verweerders te bewegen om dat te doen waartoe zij juridisch gehouden zijn. Dat het naar het oordeel van de arbiter kennelijk nodig was [eisers] aan te sporen om de vereffening en verdeling van de vof voortvarend op te pakken, neemt niet weg dat een dwangsom naar zijn aard gekoppeld moet zijn aan een door [eisers] te verrichten handeling die voldoende duidelijk en voldoende bepaald omschreven moet zijn en dat het te bereiken resultaat (in dit geval: vereffening en verdeling) in de (uitsluitende) macht van [eisers] moet liggen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoen de punten iii. tot en […]”

r.o. 4.4

“De vereffening en verdeling is volgens punt iii. gelast (a) binnen vier weken (b) door alle vennoten gezamenlijk. Hieraan is de dwangsom gekoppeld. Punt iv., waar de dwangsom niet direct aan is gekoppeld, gelast (c) dat de wijze van verdeling plaatsvindt zoals onder rechtsoverweging 7.58 is weergegeven. Voor de termijn van vier weken (a) wordt verwezen naar rechtsoverweging 7.57, maar daar staat niet dat de vereffening binnen die vier weken voltooid moet zijn. Er staat dat binnen die vier weken de op dat moment voorhanden zijnde conceptstukken in detail met [gedaagden] moeten worden besproken waarna (met inachtneming van rechtsoverweging 7.58) aanpassingen aan de (concept) stukken dienen te worden aangebracht. Verder is de vereffening en verdeling gelast door alle vennoten gezamenlijk (b), terwijl in dit kader alleen aan [eisers] een dwangsom is opgelegd. Een dergelijke veroordeling houdt dus het risico in dat [eisers] een dwangsom zou kunnen verbeuren terwijl het niet tijdig tot stand komen van de vereffening en verdeling (mede) is te wijten aan [gedaagden] . Op dit punt acht de voorzieningenrechter de dwangsomveroordeling dan ook onvoldoende duidelijk en bepaald. Tot slot is de wijze van verdeling gelast zoals onder rechtsoverweging 7.58 is weergegeven (c). Los van het feit dat aan dit onderdeel van het dictum (punt iv) geen dwangsom is verbonden, kan in dit kort geding ook niet worden vastgesteld of de onderdelen a tot en met f als opgenomen in rechtsoverweging 7.58 zijn […]”

r.o. 4.5

“Al met al is de voorzieningenrechter van oordeel dat de dwangsomveroordeling onvoldoende duidelijk en bepaald is, zodat hierdoor de vorderingen van [eisers] voor toewijzing gereed liggen, voor zover die zien op de thans door de deurwaarder aangezegde dwangsommen en op de opheffing van de beslagen. Het is niet nodig aan een veroordeling tot staking van de executie van dwangsommen en opheffing van de beslagen dwangsommen te verbinden. Dit onderdeel van de vorderingen wordt dus niet toegewezen.”

r.o. 4.6

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:233
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
19 januari 2026
Datum publicatie
18 februari 2026
Spoor
Personenvennootschappen
Thema
Personenvennootschappen
Weekoverzicht
Week 8 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.