Rechtbank Amsterdam · 13 maart 2026
Bestuurder niet persoonlijk aansprakelijk voor huurschuld van BV wegens ontbreken ernstig verwijt
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een verhuurder vorderde naast de huurder-BV ook de bestuurder in persoon aan voor een huurachterstand van ruim zes ton. Volgens de verhuurder had de bestuurder een vijfjarige huurovereenkomst en een allonge getekend terwijl hij wist of had moeten weten dat de BV niet zou kunnen betalen en geen verhaal zou bieden. De kantonrechter oordeelt dat de gestelde feiten geen ernstig verwijt dragen en wijst de vordering tegen de bestuurder af. De BV wordt wel veroordeeld tot betaling van de huurachterstand tot en met het tweede kwartaal van 2025.
Kernoverwegingen
“Voor aansprakelijkheid van [gedaagde 2] als bestuurder dient vast te staan dat zijn handelen als bestuurder ten opzichte van verhuurder in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig was dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ook is relevant of [gedaagde 2] bij het aangaan van (met name) de huurovereenkomst en (eventueel) de allonge wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat [gedaagde 1] niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden.”
r.o. 4.7
“Met verhuurder constateert de kantonrechter dat [gedaagde 2] ter onderbouwing van zijn verweer geen enkele productie heeft overgelegd waardoor slecht verifieerbaar is wat hij naar voren brengt, bijvoorbeeld over de financiële situatie van [gedaagde 1] op verschillende relevante momenten, zoals het moment van tekenen van de huurovereenkomst, het tekenen van de allonge en het moment dat [gedaagde 1] is gestopt met het betalen van de huur.”
r.o. 4.10
“Dat laat onverlet dat op verhuurder de stelplicht rust en in dat kader door verhuurder onvoldoende concrete feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die, indien die vast zouden komen te staan, de conclusie kunnen dragen dat [gedaagde 2] als bestuurder zodanig onzorgvuldig tegenover verhuurder heeft gehandeld dat hem daar persoonlijk een ernstig verwijt van kan worden gemaakt. Niet onaannemelijk is dat [gedaagde 2] op het moment van het sluiten van de huurovereenkomst voor de duur van vijf jaar had moeten begrijpen dat de door hem voor [gedaagde 1] op dat moment binnengehaalde financiering mogelijk onvoldoende zou zijn om de exploitatie gedurende de hele aanloopperiode vol te kunnen houden. Daarmee is hij financiële verplichtingen aangegaan waarvan niet zeker was dat die nagekomen konden worden. Dat is echter niet zonder meer ernstig verwijtbaar. Bij veel startende ondernemingen is de financiering een voortdurend proces waarbij lang niet altijd op het moment dat de verplichtingen worden aangegaan 100% van de financiering voor de vaste lasten over de opstartfase helemaal rond is. Die financiering kan ook nog tijdens de start van de onderneming verder rond komen hetgeen kort voor opening van het door [gedaagde 1] te exploiteren museum in januari 2023 bleek. Kort daarvoor was met crowdfunding nog weer een ton ten behoeve van de exploitatie binnen gehaald, door [gedaagde 2] . In de loop van 2023 bleek ook aan [gedaagde 2] dat er meer geld nodig was dan tot dan toe van […]”
r.o. 4.11