← Week 17

Rechtbank Amsterdam · 15 april 2026

Bestuurdersaansprakelijkheid: schending administratieplicht en onttrekkingen leiden tot boedeltekortaansprakelijkheid twee bestuurders

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

De curatoren in twee faillissementen spreken twee bestuurders aan voor boedeltekorten van in totaal ruim 3 miljoen euro. De rechtbank oordeelt dat de administratieplicht is geschonden en dat de aanpassingen in de administratie, privé-onttrekkingen en onzakelijke transacties kennelijk onbehoorlijk bestuur opleveren. Het vermoeden van een belangrijke oorzaak van het faillissement is niet ontzenuwd en disculpatie en matiging slagen niet. Beide bestuurders zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het boedeltekort en moeten voorschotten betalen.

Kernoverwegingen

“De rechtbank oordeelt dat de administratie van zowel [eiser 2] als [eiser 1] niet voldoet aan de eisen van artikel 2:10 lid 1 BW. Uit de door de curator aangetroffen administratie kunnen namelijk niet de rechten en verplichtingen van [eiser 2] en [eiser 1] worden gekend. Ten eerste niet omdat een projectadministratie per schip ontbreekt. Daardoor was het niet mogelijk om een realistische en winstgevende verkoopprijs voor een schip te bepalen waarmee de kosten die voor een schip waren gemaakt (bijvoorbeeld voor een reparatie) terugverdiend konden worden. Weliswaar was, zoals door [gedaagde 1] naar voren gebracht, een projectadministratie door de globalisatieregeling niet vereist, maar het voeren van zo’n administratie per schip was wel nodig met het oog op de activiteiten van [eiser 2] en [eiser 1] : het opkopen en daarna repareren en verkopen van schepen. Daarbij komt dat door het ontbreken van een projectadministratie [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook geen inzicht hadden in de waarde van de activa van [eiser 2] en [eiser 1] . Dat er volgens [gedaagde 1] vóór de breuk in oktober 2020 wel een projectadministratie was, is uit de door hem overgelegde foto’s niet af te leiden en is verder ook niet gebleken.”

r.o. 4.1.4

“Ten tweede kunnen uit de administratie de rechten en verplichtingen van [eiser 2] en [eiser 1] niet worden gekend door het vele betalingsverkeer tussen de vennootschappen en het onderling verstrekken van leningen, zonder dat daarvoor een verantwoording is gevonden (zie 2.4.1 en 2.4.2). Feitelijk werd alles op één hoop gegooid. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben dit ook niet weersproken. Zij hebben aangegeven dat [eiser 2] en [eiser 1] ‘communicerende vaten’ waren, maar dat rechtvaardigt deze werkwijze van administratie voeren niet. Daarnaast hebben ook de vele aanpassingen in de administratie (zie 2.4.4 en 2.4.5) ervoor gezorgd dat deze niet voldoet aan de eisen van artikel 2:10 lid 1 BW. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ook niet betwist dat die aanpassingen na overleg met hen hebben plaatsgevonden. [gedaagde 1] wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat deze zijn gedaan uit boekhoudkundige en fiscale overwegingen. Zonder verdere toelichting is dit namelijk geen rechtvaardiging voor de aanpassingen. Daarbij komt dat aannemelijk is dat de administratie is aangepast om een positief beeld van [eiser 2] en [eiser 1] te geven, bijvoorbeeld om financiering te krijgen. Zo meldt [naam 4] op 28 september 2020 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , na aanpassing van de cijfers: "Vanwege de hypotheekaanvraag is het van belang dat het resultaat in [eiser 2] BV positief is". Bovendien hebben de aanpassingen ervoor gezorgd dat de administratie niet betrouwbaar is en niet overeenkomt met de […]”

r.o. 4.1.7

“De conclusie is dat de administratieplicht van artikel 2:10 BW is geschonden. Daarmee staat op grond van artikel 2:248 lid 2 BW vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt (weerlegbaar) vermoed dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Door schending van de administratieplicht is dus formeel sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur op grond van artikel 2:248 BW. De hiervoor genoemde aanpassingen van de administratie, privé-onttrekkingen en onzakelijke transacties kwalificeren op zichzelf en in samenhang bezien ook materieel als kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:248 lid 1 BW. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben daarmee voorzienbaar ten nadele van de schuldeisers van [eiser 2] en [eiser 1] gehandeld en vrijwel uitsluitend henzelf bevoordeeld. De rechtbank volgt de curator in zijn standpunt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] met deze handelwijze zodanig roekeloos zijn omgegaan met de belangen van [eiser 2] en [eiser 1] en hun schuldeisers dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus gehandeld zou hebben. Anders dan [gedaagde 2] tijdens de zitting naar voren heeft gebracht, zijn deze handelingen voldoende voor dit oordeel.

Schending administratieplicht is belangrijke oorzaak van het faillissement”

r.o. 4.1.12

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:3787
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
15 april 2026
Datum publicatie
20 april 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:248 BW, 2:10 BW, 2:394 BW, 2:9 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Overig Boek 2
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 17 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.