← Week 7

Rechtbank Den Haag · 14 januari 2026

Afwijzing ontklemming vermogen na omzetting stichting in bv

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een bv die was omgezet uit een stichting verzocht op grond van artikel 2:18 lid 6 BW om ontklemming van het vermogen dat zij bij de omzetting had, onder meer om dividend uit te keren en te investeren. De rechtbank wijst het verzoek af. Zij wijst op de grote terughoudendheid die geboden is: het vermogen moet strikt conform de oorspronkelijke stichtingsdoelstelling worden besteed en alleen in uitzonderingsgevallen kan ontklemming plaatsvinden. Daarvan was hier geen sprake.

Kernoverwegingen

“De rechtbank stelt voorop dat de wet, de parlementaire geschiedenis en de rechtspraak geen concrete voorwaarden formuleren die in acht genomen moeten worden bij de beoordeling van een verzoek ex artikel 2:18 lid 6 BW om het vermogen dat de stichting bij de omzetting had (en de vruchten daarvan) anders te mogen besteden dan voor de omzetting was voorgeschreven. Eerder heeft deze rechtbank bij de beoordeling van een ontklemmingsverzoek betrokken of derden “in strijd met de redelijkheid en billijkheid” worden benadeeld en voorts of sprake is van strijd met de openbare orde, maar onlangs heeft Van Veen er in een WPNR-bijdrage terecht op gewezen dat deze normen niet terug te voeren zijn op een uit de parlementaire geschiedenis kenbare visie van de wetgever dat de rechter verzoeken tot ontklemming aan de hand (mede) daarvan dient te beoordelen. De schrijver beklemtoont dat de wetgever bij wijziging van artikel 2:18 BW – waarbij de huidige vormgeving van de rechterlijke tussenkomst voor ontklemming tot stand is gekomen – juist heeft laten doorklinken dat grote terughoudendheid geboden is bij de toewijzing van verzoeken tot ontklemming. Vermogen dat is opgebouwd tijdens de periode dat de rechtspersoon de gedaante van de stichting had, dient na omzetting in (zoals in dit geval) de besloten vennootschap strikt conform de doelstelling van de stichting besteed te worden. Alleen in uitzonderingsgevallen zal de rechter het beklemd vermogen kunnen omklemmen. Of dergelijke […]”

r.o. 3.1

“In het onderhavige verzoekschrift (anders dan in het verzoekschrift dat ten behoeve van de omzetting is ingediend) stelt Budgetzorg dat de Stichting niet vanuit een ideële doelstelling is opgericht. De rechtbank volgt Budgetzorg hierin niet, nog daargelaten of die stelling (indien juist) al voldoende zou kunnen zijn om de ontklemming te sanctioneren. De rechtbank verwijst naar het eerdere omzettingsverzoekschrift (overgelegd als productie 20) waarin expliciet is gesteld dat de Stichting is opgericht vanuit een ideële doelstelling. Dat dit destijds door de toenmalige advocaat van de Stichting ten onrechte is opgeschreven, acht de rechtbank niet voldoende aannemelijk. Bovendien wijst de statutaire doelstelling zoals die van kracht was voor de omzetting in de besloten vennootschap er niet op dat de stichting “in wezen” een commerciële rechtspersoon was althans bedoeld was te zijn. De doelomschrijving van de Stichting luidde: “het ondersteunen en verlenen van zorg op financieel en budgettair gebied aan natuurlijke personen die daartoe zelf niet of onvoldoende in staat zijn”. Die omschrijving kan heel wel een ideële doelstelling omvatten. In de beschrijving in het onderhavige verzoekschrift wordt zelfs benadrukt dat de vermijding van BTW-heffing de belangrijke reden was om te kiezen voor de rechtsvorm van een stichting, en daaruit spreekt toch zonneklaar dat het daarbij ging om een bewuste keuze voor de stichtingsvorm.”

r.o. 3.2

“Budgetzorg wenst na de ontklemming het vrij te vallen vermogen te besteden aan het doen van uitkeringen en het doen van investeringen ten behoeve van de commerciële bedrijfsvoering. Voor geen van de door haar op verzoek van de rechtbank beschreven bestedingsdoelen geldt dat deze een (gedeeltelijke) ontklemming kunnen rechtvaardigen. Deze aanwending zou in strijd zijn met het wettelijk en (voor de omzetting) statutair verankerde uitkeringsverbod; in wezen zou verzoeker zich aldus het beklemde vermogen dat eertijds aan de stichting toebehoorde, toe-eigenen.”

r.o. 3.3

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:1751
Instantie
Rechtbank Den Haag
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
14 januari 2026
Datum publicatie
12 februari 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:18 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie
Weekoverzicht
Week 7 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.