Rechtbank Den Haag · 10 juli 2026
Opzegging lidmaatschap volkstuinvereniging en ontruiming tuin in kort geding
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een volkstuinvereniging zegde het lidmaatschap van een lid op wegens langdurig achterstallig onderhoud en het niet opvolgen van aanwijzingen, en vorderde in kort geding ter beschikkingstelling van de tuin. De voorzieningenrechter laat het beroep bij de algemene ledenvergadering buiten beschouwing omdat de statuten voorgaan op het huishoudelijk reglement. Zij toetst het opzeggingsbesluit in het kader van de artikelen 2:14 en 2:15 BW en acht de opzegging voldoende aannemelijk gerechtvaardigd en niet disproportioneel. De vordering wordt toegewezen met een dwangsom.
Kernoverwegingen
“In dit geval is er sprake van strijd tussen de statuten en het HR over de vraag of er beroep openstaat tegen een opzeggingsbesluit van het bestuur. Omdat de statuten de grondregels bevatten van de vereniging en het HR is bedoeld als aanvulling op en uitwerking van de statuten, gaan, in het geval sprake is van tegenstrijdige bepalingen, de statuten voor. Nu een beroep bij de ALV tegen een bestuursbesluit tot opzegging van een lidmaatschap op grond van de statuten is uitgesloten, betekent dit dat het beroep van [gedaagde] bij de ALV in strijd met de statuten is. Het beroep zal dan ook buiten beschouwing worden gelaten. In dit kort geding ligt alleen het besluit tot opzeggingsbesluit ter toetsing voor.
Het opzeggingsbesluit”
r.o. 4.3
“Het opzeggingsbesluit kan door de bodemrechter nietig worden verklaard op grond van artikel 2:14 Burgerlijk Wetboek (BW) of worden vernietigd op grond van artikel 2:15 BW. De bevoegdheid om vernietiging van het besluit te vorderen, vervalt een jaar na het einde van de dag waarop het besluit aan [gedaagde] is meegedeeld. Er loopt geen procedure bij de bodemrechter tegen het opzeggingsbesluit.”
r.o. 4.4
“Naar aanleiding van inspecties en aanwijzingen van de Bouw- en Tuincommissie, welke aanwijzingen niet door [gedaagde] zijn opgevolgd, heeft het bestuur van [eiseres] [gedaagde] herhaaldelijk aangeschreven om de in de inspectierapporten omschreven onderhoudswerkzaamheden aan zijn tuin te verrichten. Daarbij valt op dat meerdere dezelfde onderwerpen in alle rapporten als “niet in orde” zijn aangemerkt. [gedaagde] heeft de inspectierapporten afgedaan als gefabriceerd en aangevoerd dat er dingen in staan die niet waar zijn, zonder toe te lichten op welke punten de rapporten onjuist zouden zijn. Dat had wel van hem mogen verwacht. [gedaagde] heeft de juistheid van de inspectierapporten dus onvoldoende gemotiveerd bestreden. Hij heeft ook niet weersproken dat hij aan de aanschrijvingen niet (geheel) heeft voldaan en de aanwijzingen van het bestuur niet heeft opgevolgd. Met betrekking tot het tuinhuisje heeft [gedaagde] wel aangevoerd dat hij een nieuw dak heeft aangebracht en het tuinhuisje heeft geschilderd, maar in het inspectierapport 2025 is toegelicht dat en waarom deze maatregelen in de visie van de Tuin- en Bouwcommissie als ontoereikend worden aangemerkt. Voldoende aannemelijk is dan ook dat [gedaagde] gedurende langere tijd in zijn verplichtingen voortvloeiende uit het lidmaatschap is tekortgeschoten. De voorzieningenrechter heeft geen aanwijzingen dat de gevolgde procedure leidend tot het opzeggingsbesluit niet in overeenstemming is met de statuten en het HR.”
r.o. 4.6